donderdag 8 juli 2010
Uitspraak zaak baanwielrennen
Datum uitspraak: 07-07-2010
Datum publicatie: 08-07-2010
Rechtsgebied: Civiel overig
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Eiser stelt dat de KNWU onrechtmatig jegens hem gehandeld heeft door niet tijdig mede te delen dat het NOC*NSF de regels heeft aangescherpt die gelden voor het verkrijgen van de "A-status". Niet aangetoond dat eiser aan die aangescherpte eisen zou hebben voldaan als hij daarvan eerder op de hoogte zou zijn geweest.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK UTRECHT
Sector handels- en familierecht
zaaknummer/rolnummer: 277680/HA ZA 09-2651
Vonnis van 7 juli 2010
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. R. Tamourt,
tegen
de vereniging
KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE WIELREN UNIE (KNWU),
gevestigd te Nieuwegein,
gedaagde,
advocaat mr. J.M. van Noort.
Partijen zullen hierna [eiser] en KNWU genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 maart 2010;
- het proces-verbaal van comparitie van 26 mei 2010.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [eiser] is baanwielrenner. Hij rijdt wereldbekerwedstrijden in de ploegenachtervolgingen mannen, klasse elite.
2.2. De KNWU is het overkoepelde orgaan in Nederland op het gebied van wielrennen. [eiser] is lid van de KNWU.
2.3. NOC*NSF kan aan een wielrenner een A-status, een B-status of High Potential status toekennen, na voordracht hiervoor door de KNWU bij NOC*NSF. In het toepasselijke Statusreglement Topsporters is hierover opgenomen:
“Artikel 2 Prestatienorm
Lid 1
De prestatienorm voor de A- of B-status wordt na overleg tussen de betrokken bond en NOC*NSF vastgesteld en schriftelijk vastgelegd door NOC*NSF.
Lid 2
Naast de in respectievelijk artikel 4 en 5 in lid 1 genoemde prestaties kan deelnemen aan en presteren op andere evenementen deel uitmaken van de prestatienorm.
Lid 3
Bij afwezigheid van de evenementen genoemd in respectievelijk artikel 4 en 5 in lid 1 bestaat de prestatienorm uit een vergelijkbare prestatienorm, welke nader is uitgewerkt in artikel 3.
(…)
Artikel 3 Vergelijkbare prestatienorm
Lid 1
Een vergelijkbare prestatienorm wordt na overleg tussen de betrokken bond en NOC*NSF vastgesteld.
Lid 2
Voor de invulling van een vergelijkbare prestatienorm wordt zoveel als mogelijk is gebruik gemaakt van internationale topsportevenementen met een zo groot mogelijk aantal deelnemende landen of internationale ranglijsten welke zijn opgesteld door de Internationale Federaties van de betrokken bonden.
Lid 3
Een vergelijkbare prestatienorm kan een samenhangend geheel zijn van meerdere prestaties die op meerdere momenten worden geleverd.
Lid 4
In geval NOC*NSF en de betrokken bond niet tot overeenstemming kunnen komen over de vergelijkbare prestatienorm, beslist NOC*NSF.
II Verkrijging en bevestiging Status
Artikel 4 Verkrijging en bevestiging van de A-status
Lid 1
Een sporter kan de A-status verkrijgen of de A-status bevestigen, indien de sporter zich blijft voorbereiden op het voldoen aan de prestatienorm door middel van deelname aan het trainings- en wedstrijdprogramma van de betrokken bond, en:
a. in de periode van 12 maanden voorafgaande aan de in artikel 9 lid 1 genoemde datum heeft voldaan aan de door de betrokken bond en NOC*NSF afgesproken prestatienorm. Het uitgangspunt van deze norm houdt in dat de sporter bij de eerste 8 is geëindigd tijdens een WK of op de Olympische Spelen. De prestatienorm wordt aangescherpt als sprake is van:
- Paralympische topsportdisciplines als bedoeld in artikel 2 lid 2 sub b. van het Reglement Topsportprogramma’s;
- Categorie 1 Topsportprogramma’s die als zodanig zijn aangemerkt op grond van artikel 6 van het Reglement Topsportprogramma’s (hardheidsclausule);
- Categorie 1 Topsportprogramma’s die als zodanig zijn aangemerkt op grond van artikel 4 lid 1 van het Reglement Topsportprogramma’s en waarbij het gestelde in artikel 3 lid 2 sub d. van dat Reglement van toepassing is;”
2.4. In de toelichting bij artikel 2 is opgenomen:
“Een voorwaarde voor het verkrijgen van een status is het leveren van prestaties. Uitgangspunt daarbij is dat voor het kunnen verkrijgen van de A-status resultaten zijn behaald die aantonen dat de sporter behoort tot de mondiale top-8. Voor de B-status dienen resultaten te zijn behaald die aantonen dat de sporter behoort tot de mondiale top-16. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat het topsportprogramma’s betreft die voldoen aan de spreidingscriteria en competitiedichtheid voor de Categorie 1 Topsportprogramma’s, zoals omschreven in het Reglement Topsportprogramma’s. Gelet op de diversiteit en variatie in de programmering van de mondiale competitie wordt, in het kader van uitvoeringsafspraken, per topsportprogramma jaarlijks nader bepaald op grond van welke geleverde prestaties de A- of B-status kan worden verkregen.”
2.5. De KNWU en NOC*NSF noemen de vergelijkbare prestatienorm, als bedoeld in artikel 3 van het Statusreglement Topsporters, de “vangnetconstructie”. In het kader van deze vangnetconstructie waren de KNWU en NOC*NSF met betrekking tot de ploegenachtervolging mannen overeengekomen dat de A-status kon worden verkregen als een ploeg eindigde bij de eerste 8 in het wereldbekerklassement. Begin 2008 heeft NOC*NSF aangegeven de vangnetconstructie te willen aanscherpen. In januari 2009 hebben de KNWU en NOC*NSF gesproken over de nieuwe prestatienormen. Op 5 februari 2009 heeft NOC*NSF aan de KNWU een overzicht toegestuurd van de meetmomenten en prestatienormen 2009, die in overleg tussen NOC*NSF en de KNWU tot stand gekomen zijn. In het overzicht is voor de ploegenachtervolging mannen bepaald dat een ploeg bij de top 6 moet eindigen om voor de A-status in aanmerking te komen.
2.6. [eiser] heeft in het baanwielrennen wereldbekerklassement 2008/2009 voor landenteams de achtste plaats behaald in de eindklassering. Als gevolg daarvan is hij niet in aanmerking gekomen voor een A-status.
3. Het geschil
3.1. [eiser] vordert – samengevat – veroordeling van KNWU tot betaling van € 14.480,28, vermeerderd met rente en kosten.
3.2. KNWU voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. [eiser] stelt dat de aangescherpte normen van de vangnetconstructie al golden vanaf begin 2008, maar dat deze pas in maart 2009 door de KNWU aan hem kenbaar zijn gemaakt. Volgens [eiser] heeft de KNWU zodoende onrechtmatig jegens hem gehandeld. Als [eiser] tijdig had geweten dat hij bij de eerste zes moest eindigen om de A-status te kunnen verkrijgen, dan zou hij er voor gezorgd hebben dat dat zou zijn gelukt. Vanwege het feit dat (de ploeg van) [eiser] er niet van de hoogte was dat men bij de eerste zes moest eindigen, is echter anders besloten. De schade die [eiser] heeft geleden bestaat uit een misgelopen stipendium van € 12.530,28 en misgelopen onkostenvergoeding van € 1.950,00. [eiser] stelt dat hij deze bedragen wel zou hebben ontvangen als hij de A-status had gehad.
4.2. De KNWU betwist dat de aangescherpte regels al vanaf begin 2008 golden. Volgens haar zijn het NOC*NSF en de KNWU pas op 6 februari 2009 tot overeenstemming gekomen over de nieuwe prestatienormen en is deze wijziging toen binnen enkele weken bekend gemaakt. Voorts betwist de KNWU dat zij – als al zou komen vast te staan dat zij de nieuwe prestatienormen te laat bekend heeft gemaakt – onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld heeft. Volgens de KNWU is er geen sprake van schuld aan haar zijde en is evenmin komen vast te staan dat [eiser] schade heeft geleden.
4.3. [eiser] stelt dat hij bij de eerste zes zou zijn geëindigd als hij tijdig had geweten dat hij slechts dan de A-status zou kunnen verkrijgen. Ter onderbouwing hiervan stelt hij dat zijn ploeg in dat geval aan meer bekerwedstrijden zou hebben deelgenomen, en aan de wedstrijd in Cali. Bij die wedstrijd verschenen namelijk slechts drie ploegen, zodat de ploeg van [eiser] daar per definitie hoog geëindigd zou zijn. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. Ook als aangenomen wordt dat de ploeg van [eiser] aan meer bekerwedstrijden zou hebben deelgenomen dan thans is gebeurd, brengt dit nog niet met zich dat de ploeg van [eiser] dan ook een hogere plaats zou hebben bereikt in het wereldbekerklassement dan thans het geval is geweest. Of een hogere plaats in het wereldbekerklassement zou zijn bereikt hangt immers van meer factoren af dan de enkele deelname aan een wereldbekertoernooi of de intentie van (de ploeg van) [eiser].
4.4. Dat in Cali slechts drie ploegen verschenen en de ploeg van [eiser] daar dus hoog had kunnen eindigen maakt dat niet anders. [eiser] heeft immers ter comparitie verklaard dat hij van tevoren niet wist hoeveel ploegen er bij het toernooi in Cali zouden verschijnen. Het feit dat achteraf kan worden vastgesteld dat alleen al de deelname aan dat toernooi met zich zou hebben gebracht dat op dat toernooi een hoge plaats zou zijn bereikt, betekent daarom nog niet dat (de ploeg van) [eiser] ook tot deelname aan het toernooi in Cali zou hebben besloten. Bovendien is gesteld noch gebleken dat een hoge plaats bij het toernooi in Cali een dermate invloed zou hebben gehad op het (totale) wereldbekerklassement dat de ploeg van [eiser] daardoor bij de eerste zes geëindigd zou zijn.
4.5. [eiser] heeft zijn stelling dat zijn ploeg bij de eerste zes zou zijn geëindigd niet anderszins onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de ploeg van [eiser] bij de eerste zes zou zijn geëindigd (en derhalve de A-status zou hebben verkregen) als hij eerder op de hoogte was gebracht van het feit dat de prestatienormen waren aangescherpt. De bedragen die [eiser] is misgelopen doordat hij de A-status niet had, komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking, zodat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. Nu de vorderingen van [eiser] reeds om deze reden worden afgewezen, kunnen de overige verweren van de KNWU onbesproken blijven.
4.6. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van KNWU worden begroot op:
- vast recht EUR 350,00
- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)
Totaal EUR 1.254,00
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. wijst de vorderingen af,
5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van KNWU tot op heden begroot op EUR 1.254,00,
5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.
ZMV advocaten sportrecht Heerenveen
Zillinger Molenaar & Verdonk advocaten Heerenveen Adres: K.R. Poststraat 80-1, 8441 ER Heerenveen, Friesland, Nederland Tel: +31 0513 623666 Fax:+31 0513 625546.
www.zmv-advocaten.nl/pageid.../Sportrecht.html
maandag 5 juli 2010
kort geding stadionverbod voetbalsupporter
Datum uitspraak: 30-06-2010
Datum publicatie: 01-07-2010
Rechtsgebied: Handelszaak
Soort procedure: Kort geding
Inhoudsindicatie: Stadionverbod. Aan eiser is een stadionverbod opgelegd door SC Heerenveen, omdat hij behoorde tot een groep supporters van SC Heerenveen die in Waalwijk een gewelddadige confrontatie met RKC Waalwijk-supporters heeft gezocht. Zijn vordering tot opheffing van het stadionverbod wordt afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft SC Heerenveen namelijk in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen dat eiser reeds door zijn enkele aanwezigheid in voormelde groep en zijn keuze om zich daar niet van te distantiëren zich zodanig heeft gedragen dat hij het aanzien en/of het belang van het betaalde voetbal en dat van SC Heerenveen in het bijzonder heeft geschaad.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 104795 / KG ZA 10-149
Vonnis in kort geding van 30 juni 2010
in de zaak van
[X],
wonende te Wolvega,
eiser,
advocaat mr. R. Tamourt, kantoorhoudende te Heerenveen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
S.C. HEERENVEEN B.V.,
gevestigd te Heerenveen,
gedaagde,
advocaten mr. C.S. Huizinga en mr. J. Stoker, beiden kantoorhoudende te Leeuwarden.
Partijen zullen hierna [X] en SC Heerenveen genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van SC Heerenveen.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [X] is supporter en seizoenkaarthouder van de betaald voetbalorganisatie SC Heerenveen. SC Heerenveen is lid van de vereniging Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (hierna: de KNVB).
2.2. SC Heerenveen hanteert een huisreglement dat verbindend is voor een ieder die een voetbalwedstrijd bezoekt met een toegangsbewijs dat via SC Heerenveen is verkregen.
2.3. Artikel 4 van het huisreglement luidt:
"De Standaardvoorwaarden van de KNVB worden hier als ingelast beschouwd en maken dus integraal deel uit van het Huisreglement van sc Heerenveen. Dit betekent dat sc Heerenveen ook zelfstandig sancties op kan leggen aan haar publiek naar aanleiding van overtreding van de standaardvoorwaarden. Bij het opleggen van een stadionverbod en/of boete is sc Heerenveen niet gebonden aan de door de KNVB ter zake gehanteerde richtlijnen."
2.4. De KNVB hanteert standaardvoorwaarden (hierna: de standaardvoorwaarden) die verbindend zijn voor een ieder die in of buiten Nederland een voetbalwedstrijd bijwoont waaraan een Nederlandse voetbalclub (die is toegelaten tot deelneming aan de competities van de sectie betaald voetbal) deelneemt, dan wel anderszins aanwezig is in of rond het stadion vóór, tijdens of na het tijdstip van aanvang van de wedstrijd. Het gaat daarbij onder meer om voetbalwedstrijden in de eredivisie, voetbalwedstrijden in het kader van de Beker en voetbalwedstrijden in binnen- en buitenland in de UEFA-Cup.
2.5. Artikel 10.2 van de standaardvoorwaarden luidt, voor zover hier
van belang:
"De KNVB is gerechtigd om, (landelijke) Stadionverboden op te leggen aan een ieder die volgens een melding van een Club of het Openbaar Ministerie in of buiten het Stadion in het kader van een Evenement:
- heeft gehandeld in strijd met deze Standaardvoorwaarden;
- een strafbaar feit heeft begaan danwel ten aanzien van wie een vermoeden bestaat dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan voetbalgerelateerd wangedrag;
- zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het aanzien en/of het belang van het voetbal wordt geschaad, zulks onverminderd enige plicht tot schadevergoeding op grond van het civiele recht. (…)
Het voorgaande laat onverlet de bevoegdheid van Clubs om (lokale) Stadionverboden op te leggen aan een ieder die zich in of buiten haar Stadion in het kader van een Voetbalwedstrijd misdraagt."
2.6. Bij brief van 11 februari 2010 heeft SC Heerenveen aan [X], voor zover relevant, het volgende geschreven:
"(…) Afgelopen zaterdag is door ons geconstateerd dat u zich niet aan de regels hebt gehouden die gelden in en om het Abe Lenstrastadion.
U maakte deel uit van een groep die zich via het invalidenplatform richting de spelerstunnel wilde begeven. Daar werd de groep tegengehouden door stewards. Daarna werd geprobeerd langs de stewards te komen. U heeft onder meer niet voldaan aan de opvolging van de aanwijzingen van de stewards in het stadion.
Op zichzelf zou hiervoor een sanctie kunnen worden opgelegd maar zover willen wij het nu nog niet laten komen daar wij uitgaan van de goede bedoelingen van onze supporters.
Gezien uw gedrag vinden wij een waarschuwing op zijn plaats. Wij zullen in de toekomst niet schromen u een stadionverbod op te leggen indien wij constateren dat u weer gedrag vertoont dat tegen de regels van de club ingaat (…) "
2.7. SC Heerenveen heeft met de gemeente Heerenveen, de politie Fryslân en het openbaar ministerie een Convenant Gegevensuitwisseling Voetbalvandalisme Heerenveen 2009-2010 (hierna: het convenant) gesloten.
2.8. Het convenant luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
(…) Artikel 5: Vertrouwelijkheid
1. De uitgewisselde informatie heeft een vertrouwelijk karakter, waarbij in verband met de privacy van personen een geheimhoudingsplicht geldt.
2. Gegevens mogen niet worden overgedragen of ter beschikking gesteld worden aan niet-convenantpartners.
(…)
Artikel 6: Rechten van betrokkenen
1. Convenantpartners respecteren de rechten van betrokkenen. Alle geldende wet- en regelgeving op dit punt wordt in acht genomen. Het gaat dan om het inzagerecht en de informatieplicht van de convenantpartners op grond van de Wbp. Uitzonderingen hierop kunnen alleen gebaseerd worden op toetsing aan art. 43 van de Wbp, waarin onder meer gewezen wordt op het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten en de bescherming van de betrokkene of van rechten en vrijheden van anderen.(…)"
2.9. Op 20 februari 2010 is er in Waalwijk voorafgaand aan de voetbalwedstrijd RKC Waalwijk - SC Heerenveen een gewelddadige confrontatie geweest tussen een groep supporters van SC Heerenveen en een groep supporters van RKC Waalwijk.
2.10. In het kader van het convenant heeft SC Heerenveen van de politie Fryslân een op 17 maart 2010 door verbalisanten [A en B], beiden hoofdagent van politie, Team Heerenveen, op ambtseed opgemaakt proces-verbaal ontvangen waarin, voor zover hier van belang, het volgende gerelateerd:
(…) Op 20 februari 2010 (…) waren wij verbalisanten (…) belast met de
supportersbegeleiding van SC Heerenveen supporters in Waalwijk. (…) Omstreeks 14:00 uur kregen wij van de politie Waalwijk door dat de Heerenveen supporters in Waalwijk waren gearriveerd en dat ze op de eerste verdieping van het Stadscafé d'n Leste aan de markt (…) te Waalwijk zaten. (…) Wij zijn daarna het café ingelopen om een indruk te krijgen wie allemaal ter plaatse waren. In het café troffen wij de ons ambtshalve bekende (…) [X] (…) [Y] (…). Het was de bedoeling dat ik de Heerenveen supporters zou verzoeken in zuidelijke richting naar hun auto te lopen. Ik [A] zag toen de Heerenveen supporters uit het café komen. Meerdere supporters trokken hun capuchons over hun hoofd en liepen snel richting het zuiden. (…) Plotseling begonnen de Heerenveen supporters te rennen en te schreeuwen. (…) Wij renden achter de groep aan (…) Toen wij verder liepen zagen we rechts van ons een steeg die leidde naar een klein pleintje. Het was ons bekend dat dit pleintje was gelegen achter het RKC café. Daar hoorden wij schreeuwen en zagen o.a. stenen door de lucht vliegen. Ter plaatse hebben wij een aantal bekenden waaronder (…) [X] (…) aangesproken zich te verwijderen. (…) en [X] stonden op dat moment achterin de groep. (…) Het was een zeer hectische situatie. Wij zagen o.a. (….) [Y] bij de schermutseling. (…) Er werden allerlei dingen naar elkaar gegooid en er lagen broekriemen op de grond. Er werd aan bouwhekken getrokken. Toen wij tussen beide supporters groepen in kwamen zag ik [A] dat (…) met zeer veel verbaal geweld de RKC supporters uitdaagden. Zij weigerden ook te vertrekken. Na een minuut of tien lukte het ons de Heerenveen supporters terug te drijven onder dreiging van de wapenstok. (…) Ik [A] hoorde van steward [Z] dat [X] al vroeg in het stadion was. (…)"
2.11. Bij brief van 6 april 2010 heeft SC Heerenveen aan [X], voor zover relevant, het volgende geschreven:
"(…) Betreft: lokaal stadionverbod (…)
Bij brief van 11 januari 2010 bent u aangesproken op uw gedrag bij de wedstrijd van sc Heerenveen - FC Utrecht van vijf dagen daarvoor. (…) In voormelde brief heeft u daarom een waarschuwing gekregen.
Inmiddels hebben wij van de politie tevens informatie ontvangen dat u op 20 februari jl. betrokken was bij ongeregeldheden in het centrum van Waalwijk vooraf aan de wedstrijd RKC - sc Heerenveen. U maakte hierbij deel uit van een groep Heerenveen supporters die de zware confrontatie is aangegaan met een groep RKC supporters. (…)
Hiermee heeft u persoonlijk bijgedragen aan het schaden van het aanzien en/of belang van het betaalde voetbal en dat van sc Heerenveen in het bijzonder.
Aangezien u reeds gewaarschuwd was en dit niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, weigeren wij u nu voor langere duur de toegang tot het Abe Lenstra stadion, alsmede de voor sc Heerenveen publiek bestemde vakken bij uitwedstrijden. Wij achten in dit verband conform de richtlijnen van de KNVB een stadionverbod van 12 maanden gerechtvaardigd. In verband hiermee is uw seizoenkaart inmiddels geblokkeerd. (…)"
3. Het geschil
3.1. [X] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad intrekking van het opgelegde stadionverbod binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op straffe van een door SC Heerenveen te verbeuren dwangsom van € 2.500,-- per dag, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, voor elke keer dat SC Heerenveen in gebreke blijft aan deze uit te spreken veroordeling te voldoen, met veroordeling van SC Heerenveen in de kosten. [X] heeft daartoe primair gesteld dat SC Heerenveen niet de bevoegdheid had om een stadionverbod voor de duur van twaalf maanden op te leggen en dat het stadionverbod derhalve geen rechtsgrond (meer) heeft. Subsidiair heeft [X] gesteld dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan enig wangedrag en voorts dat, nu SC Heerenveen het onderliggende dossier niet aan [X] wil verstrekken, er sprake is van een zodanige schending van het beginsel van equality of arms dat het stadionverbod enkel daarom al dient te worden opgeheven.
3.2. SC Heerenveen voert verweer.
3.3. Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. De vordering van [X] strekt ertoe dat de voorzieningenrechter SC Heerenveen veroordeelt tot intrekking van het door haar opgelegde stadionverbod. [X] heeft onweersproken gesteld dat hij op 3 juli 2010 de eerstvolgende wedstrijd van SC Heerenveen bij wil wonen en vervolgens de start van het nieuwe seizoen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat daarmee voldoende vast dat een onmiddellijke voorziening is vereist.
4.2. SC Heerenveen heeft tot haar verweer aangevoerd dat zij de bevoegdheid tot het opleggen van het stadionverbod aan een ieder die zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het aanzien en/of het belang van het voetbal wordt geschaad aan art. 4 van het huisreglement in combinatie met art. 10.2 van de standaardvoorwaarden.
4.3. [X] heeft gesteld dat SC Heerenveen in dit geval niet bevoegd is om op basis van art. 10.2 van de standaardvoorwaarden een stadionverbod op te leggen nu de onderhavige misdragingen niet in Heerenveen in of in de omgeving van het eigen stadion, maar in Waalwijk hebben plaatsgevonden. Met [X] is de voorzieningenrechter van oordeel de zinsnede 'in of buiten haar stadion' in art. 10.2 van de standaardvoorwaarden in dit geval gelezen dient te worden als in of in de (directe) omgeving van het Abe Lenstra stadion en dat daarvan in dit geval geen sprake is. Met art. 4 van het huisreglement heeft SC Heerenveen echter voor zichzelf de bevoegdheid gecreëerd om een stadionverbod op te kunnen leggen in alle gevallen waarin de KNVB op basis van de standaardvoorwaarden een stadionverbod op kan leggen. Anders dan [X] stelt is er daarmee geen exclusieve KNVB-bevoegdheid. Op grond daarvan is de voorzieningenrechter van oordeel dat SC Heerenveen bevoegd is om zelfstandig stadionverboden op te leggen op basis van overtreding van hetgeen is bepaald in art. 10.2 van de standaardvoorwaarden. Hetgeen [X] gesteld heeft ten aanzien van art. 3.1 van het huisreglement kan buiten bespreking blijven, nu de maatregel niet op dat artikel is gebaseerd.
4.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat SC Heerenveen bij de beoordeling van de vraag of een supporter zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het aanzien en/of het belang van het voetbal wordt geschaad een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat de beslissing van SC Heerenveen door de voorzieningenrechter slechts marginaal kan worden getoetst. Voor gebruikmaking van de bevoegdheid dienen wel voldoende feiten te worden gesteld die deze beslissing kunnen rechtvaardigen.
4.5. SC Heerenveen heeft ter zitting verklaard dat het stadionverbod is gebaseerd op het hiervoor onder 2.10. aangehaalde proces-verbaal van politie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [X] aanvankelijk met reden heeft geklaagd dat dit proces-verbaal niet aan hem ter beschikking werd gesteld. Daartoe oordeelt de voorzieningenrechter het onder 2.7. genoemde convenant weliswaar in beginsel verbiedt dat SC Heerenveen de op basis van dat convenant door de politie aan haar verstrekte gegevens aan niet-convenantpartners ter beschikking stelt, maar dat op dit uitgangspunt op grond van art. 6 lid 1 een uitzondering kan worden gemaakt. Op grond daarvan had SC Heerenveen het, nu vlak voor de zitting alsnog ingebrachte proces-verbaal waarin de namen van andere niet in deze zaak betrokken personen onleesbaar zijn gemaakt, op verzoek van [X] aan hem ter beschikking kunnen en moeten stellen. Nu SC Heerenveen deze gegevens, zij het in een zeer laat stadium, alsnog aan [X] ter beschikking heeft gesteld, weet [X] waartegen hij zich moet verdedigen en verwerpt de voorzieningenrechter de stelling dat er sprake is van schending van het beginsel van equality of arms. De voorzieningenrechter is van oordeel dat SC Heerenveen terecht met een beroep op de Wet bescherming persoonsgegevens de namen van andere personen in het proces-verbaal onleesbaar heeft gemaakt en dat [X] daardoor niet zodanig in zijn belangen wordt geschaad dat dit in strijd met de goede procesorde moet worden geoordeeld. Het staat [X] vrij om het proces-verbaal bij de opstellers daarvan dan wel het openbaar ministerie op te vragen.
4.6. [X] is met een groep van ongeveer veertig andere Heerenveen supporters met busjes naar Waalwijk gereisd om daar 's avonds de wedstrijd RKC Waalwijk - SC Heerenveen bij te wonen. Omstreeks 14.00 uur hebben zij de busjes in het centrum van Waalwijk geparkeerd en heeft de groep Heerenveen supporters gezamenlijk een café bezocht. Blijkens het genoemde proces-verbaal werd er gedurende de middag meermalen, door middel van het bonzen op ramen van het café, door diverse SC Heerenveen supporters gereageerd op RKC supporters die het café voorbij liepen. Op een bepaald moment kwam een groepje van zes SC Heerenveen supporters het café uit en daagden zij voorbij lopende RKC supporters uit door middel van woord en gebaar. Enkele malen werd het café door een aantal Heerenveen supporters verlaten die vervolgens langs een café trokken waar zich een groep RKC supporters bevond om dan weer terug te keren. Omstreeks 19.15 uur verlieten de SC Heerenveen supporters het café en even later komt het tot een geweldadige confrontatie tussen de beide supportersgroepen. Uit de door SC Heerenveen en [X] ingebrachte plattegronden en de daarop gegeven toelichtingen blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het plein achter het RKC café waar de confrontatie tussen de supportersgroepen plaatsvond niet op de route ligt van het café dat de Heerenveen supporters hadden bezocht naar de plek waar zij hun busjes hadden geparkeerd en dat het evenmin op de route van dat café naar het stadion van RKC ligt. Gelet daarop komt de voorzieningenrechter voorshands tot het oordeel dat de groep Heerenveen supporters de gewelddadige confrontatie met de RKC supporters bewust heeft opgezocht.
4.7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft SC Heerenveen in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen dat de supporters die behoorden tot de groep die de gewelddadige confrontatie met de RKC supporters heeft gezocht reeds door hun enkele aanwezigheid in die groep en hun keuze om zich daar niet van te distantiëren zich zodanig hebben gedragen dat het aanzien en/of het belang van het betaalde voetbal en dat van SC Heerenveen in het bijzonder hebben geschaad. Aldus is SC Heerenveen naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd om die supporters een stadionverbod op te leggen.
4.8. [X] betwist dat hij deel uitmaakte van de betreffende groep Heerenveen supporters die de confrontatie met de RKC supporters heeft gezocht. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit het onder 2.10. aangehaalde proces-verbaal dat [X] op het moment dat de verbalisanten [A] en [B] ter plaatse kwamen reeds op het betreffende pleintje achterin de groep met Heerenveen supporters stond die de geweldadige confrontatie had opgezocht. Verbalisanten hebben daarover gerelateerd dat zij op dat moment reeds hoorden schreeuwen en stenen door de lucht zagen vliegen. De voorzieningenrechter gaat derhalve voorbij aan het verweer van [X] dat hij later dan de verbalisanten bij die groep aankwam. Verbalisanten hebben [X] en enkele andere supporters aangesproken om zich te verwijderen hetgeen zij vervolgens hebben gedaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakte [X] voor dat hij door de politie werd weggestuurd deel uit van de groep die de confrontatie met RKC supporters heeft gezocht. Door zijn aanwezigheid in die groep heeft hij die groep getalsmatig versterkt en aldus bijgedragen aan het ontstaan van de confrontatie. Dat hij zich achterin die groep bevond en zich vervolgens op eerste verzoek van verbalisanten heeft verwijderd doet daar niet aan af. [X] is de gehele middag bij de groep Heerenveen supporters aanwezig geweest en hij wist derhalve wat zich gedurende de middag had afgespeeld daarop gelet had hij zich reeds voor het tot een confrontatie kwam van de groep kunnen en moeten distantiëren. Dit geldt te meer nu [X] nog geen anderhalve week voor deze confrontatie per brief een officiële waarschuwing van SC Heerenveen heeft gekregen in verband met zijn gedrag in het Abe Lenstrastadion.
4.9. Al met al komt de voorzieningenrechter voorshands tot het oordeel dat SC Heerenveen in casu de bevoegdheid heeft om [X] een stadionverbod op te leggen en dat zij dat ook in redelijkheid op basis van het genoemde proces-verbaal heeft kunnen doen. De vordering tot intrekking van het stadionverbod wordt afgewezen.
4.10. In de omstandigheid dat SC Heerenveen het proces-verbaal waarop het stadionverbod is gegrond pas naar aanleiding van het ingestelde kort geding aan [X] heeft willen overleggen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1. wijst de vorderingen af,
5.2. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Tangenberg en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2010.?
Fn: 553
donderdag 6 mei 2010
Cambuur kan geldboetes van KNVB niet verhalen op supporters
Voetbalclub Cambuur-Leeuwarden kan twee boetes die door de KNVB aan haar waren opgelegd in verband met incidenten rond de play-off wedstrijden tegen FC Zwolle in mei 2009 niet verhalen op een drietal supporters. Dat heeft de rechtbank vandaag beslist in een door Cambuur tegen deze supporters gestarte bodemprocedure.
De eerste zaak (LJN: BM0966) betreft een boete voor het gooien van een bierflesje naar de keeper van FC Zwolle, waardoor de wedstrijd tijdelijk werd gestaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Cambuur onvoldoende onderbouwd dat de betrokken supporter het bierflesje in kwestie heeft gegooid. Alleen al daarom is hij niet aansprakelijk jegens Cambuur.
De tweede zaak (LJN: BM0963) betreft een boete wegens collectieve misdragingen van supporters na afloop van de wedstrijd. De betrokken twee supporters hadden een bierblikje gegooid tegen een voorbijrijdende auto respectievelijk een aansteker naar de spelersbus van FC Zwolle. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende komen vast te staan dat het handelen van deze supporters deel uitmaakte van de collectieve misdragingen waarvoor de boete is opgelegd. Zij zijn dan ook niet aansprakelijk jegens Cambuur. Zie www.rechtspraak.nl.
dinsdag 4 mei 2010
Strafzaak stadionverbod
Datum uitspraak: 25-03-2010
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Promis vonnis - Stadionverbod. Wederrechtelijk binnendringen. Stadionverbod geldt niet ten aanzien van het supportershome nu dat voor, tijdens en kort na de wedstrijd in gebruik is bij de supportersvereniging. Omdat deze vereniging geen partij was bij het stadionverbod en verdachte niet heeft gemaand het supportershome te verlaten, is er geen sprake van wederrechtelijk binnendringen.
Uitspraak
RECHTBANK MAASTRICHT
Sector strafrecht
vonnis van de politierechter d.d. 25 maart 2010
in de strafzaak tegen
[verdachte],
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 maart 2010, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een stadion is binnengegaan, terwijl hem dat verboden was.
3 De beoordeling van het bewijs
3.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen, omdat verdachte in strijd met het aan hem opgelegde stadionverbod het supportershome in het stadion binnen is gegaan.
In reactie op dat wat de verdediging heeft aangevoerd, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het stadionverbod is uitgevaardigd door de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (hierna: KNVB), de organisatie die de wedstrijden organiseert, en dat dit verbod ook ziet op het supportershome. Dit supportershome is namelijk een ruimte in het stadion. Verdachte mocht er niet op vertrouwen dat het verbod niet gold in geval van toestemming van een barmedewerker van dit supportershome om hier binnen te komen. Verdachte had contact moeten opnemen met de KNVB om te vragen of hij wel in het supportershome mocht komen. Zolang het verbod geldig is, is toegang wederrechtelijk.
3.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak van verdachte, omdat er geen sprake is van wederrechtelijk binnendringen.
De raadsman heeft aangevoerd dat op basis van huisrecht iemand de toegang kan worden ontzegd een ruimte te betreden, maar alleen als degene die de toegang ontzegt eigenaar, huurder of gebruiker is. De raadsman verwijst daarbij naar het civiele recht. [Een supportersvereniging] is de gebruiker van het supportershome en heeft verdachte toegelaten in het supportershome. Er is dus geen sprake van wederrechtelijk binnendringen.
3.3 Het oordeel van de politierechter
De KNVB heeft verdachte een stadionverbod opgelegd, omdat hij zich op 27 augustus 2007 schuldig zou hebben gemaakt aan mishandeling en/of het schaden van het aanzien en de belangen van het voetbal ter gelegenheid van de voetbalwedstrijd Fortuna Sittard-Helmond Sport. Een dergelijk verbod legt de KNVB namens de aangesloten betaaldvoetbalorganisaties op basis van de standaardvoorwaarden van de KNVB op.
Dit stadionverbod houdt onder meer in dat verdachte van 22 november 2007 tot en met 22 mei 2009 niet mag vertoeven in of rond een stadion, dan wel in of rond bijbehorende gebouwen en terreinen, daaronder begrepen de toegangen en toegangswegen, waar een voetbalwedstrijd of voetbalevenement zal plaatsvinden, plaatsvindt of zojuist heeft plaatsgevonden.
Op 30 januari 2009 omstreeks 22.15 uur bevonden verbalisanten [K.]en [M.] zich op de [M.straat] te Sittard. Zij hebben na de wedstrijd tussen Fortuna Sittard en Exelsior Rotterdam post gevat ter hoogte van het supporterscafé van Fortuna Sittard en gezien dat verdachte uit het supporterscafé kwam gelopen. Ambtshalve was hen bekend dat verdachte een stadionverbod had.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op genoemde datum inderdaad aanwezig was in het supportershome en dat hij op dat moment nog een stadionverbod had.
De vraag die de politierechter moet beantwoorden is of verdachte door het supportershome binnen te gaan het stadion wederrechtelijk is binnengetreden.
De feitelijke situatie met betrekking tot het supportershome is als volgt. Congrescentrum Fortunato stelde destijds het supportershome om niet ter beschikking aan de betaaldvoetbal¬organisatie (hierna: BVO) Fortuna Sittard. De BVO Fortuna Sittard heeft op haar beurt de ruimte ter beschikking gesteld aan [een supportersvereniging]. De enige voorwaarde voor dit gebruik was dat de supportersvereniging de drank zou afnemen van Fortunato.
Het stadionverbod is door de KNVB en de aangesloten betaaldvoetbalorganisaties opgelegd aan verdachte. De supportersvereniging, in casu gebruiker van het supportershome, was hierbij geen partij. Het verbod bindt daarom naar het oordeel van de politierechter de supportersvereniging niet en geldt ook niet ten aanzien van het supportershome, nu dat kort voor, tijdens en kort na de wedstrijd in gebruik is bij de supportersvereniging.
Uit het dossier blijkt ook niet dat verdachte op de in de tenlastelegging genoemde datum door de supportersvereniging is gemaand het supportershome te verlaten.
Gelet op het bovenstaande, is er geen sprake van wederrechtelijk binnendringen door verdachte. De politierechter acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd en zal hem dan ook vrijspreken.
4 De beslissing
De politierechter:
- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van
mr. G.M. Drenth, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 maart 2009.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 30 januari 2009, in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten erf, althans een besloten lokaal, te weten het (Wagner en Partners) stadion, gelegen aan de [M.straat] en in gebruik bij de Betaald Voetbalorganisatie Fortuna Sittard, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte.
Bevoegdheidsincident sportbond
Datum uitspraak: 03-03-2010
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Bevoegdheidsincident. Gedaagde sportbond beroept zich op reglementaire bepaling dat alle geschillen, die niet in andere artikelen van het reglement worden genoemd, aan het congres van de bond dienen te worden voorgelegd. De bond stelt dat de rechtbank onbevoegd is omdat de betrokken sporter zijn vordering tot schadevergoeding eerst aan het congres van de bond had dienen voor te leggen. De rechtbank wijst de incidentele vordering af en acht zich bevoegd kennis te nemen van het geschil.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK UTRECHT
Sector handels- en familierecht
zaaknummer / rolnummer: 277680 / HA ZA 09-2651
Vonnis in incident van 3 maart 2010
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. R.A. Tamourt,
tegen
de vereniging
KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE WIELREN UNIE (KNWU),
gevestigd te Woerden,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. J.M. van Noort.
Partijen zullen hierna [eiser] en de KNWU genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring
- de incidentele conclusie van antwoord.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
2.1. [eiser] is een professionele baanwielrenner en is lid van de KNWU. In de hoofdzaak vordert [eiser] schadevergoeding van de KNWU omdat de KNWU volgens hem onrechtmatig gehandeld heeft door na te laten hem tijdig te informeren omtrent nieuwe normeringen voor het toekennen van een A-status. De schade die [eiser] stelt te lijden bestaat uit, onder meer, gemist stipendium en een gemiste onkostenvergoeding.
2.2. De KNWU vordert in haar incidentele vordering dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [eiser] voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.3. De KNWU stelt zich in het incident op het standpunt dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren op grond van het bepaalde in artikel B9.3 van het Algemeen Reglement van de KNWU. De rechtbank begrijpt dat de KNWU stelt dat [eiser] zijn geschil had dienen voor te leggen aan het Congres van de KNWU. De KNWU stelt hiertoe dat [eiser], als licentiehouder en lid van de KNWU, gebonden is aan het Algemeen Reglement. In artikel B9.3 staat:
“In alle geschillen, voorzover niet in voorgaande leden of elders in dit reglement geregeld, beslist het Congres.”
2.4. De rechtbank neemt gebondenheid van [eiser] aan de reglementen van de KNWU als uitgangspunt voor het hiernavolgende, nu de KNWU dit onweersproken heeft gesteld.
2.5. De vordering van [eiser] is een vordering tot schadevergoeding gegrond op de stelling dat de KNWU onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld heeft. De formulering van artikel B9.3 is zodanig ruim dat onderhavig geschil in beginsel ook onder de reikwijdte van het artikel zou kunnen worden gebracht. Uit de formulering blijkt echter niet of het Congres ook bevoegd is vorderingen tot schadevergoeding te beoordelen en eventueel toe te kennen. De rechtbank is van oordeel dat, indien het de bedoeling was ook vorderingen tot schadevergoeding aan de beoordeling van de burgerlijke rechter te onttrekken en dus onder de reikwijdte van artikel B9.3 te brengen, deze bedoeling tot uitdrukking had moeten komen in de formulering.
2.6. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.
2.7. De KNWU zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1. wijst het gevorderde af,
3.2. veroordeelt de KNWU in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 452,00,
in de hoofdzaak
3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 maart 2010 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.
Dit vonnis is gewezen door mr J.M. Eelkema en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2010.?
dinsdag 13 april 2010
Vrijspraak in drugszaak
Print uitspraak
Datum uitspraak:
02-10-2009
Datum publicatie:
05-10-2009
Rechtsgebied:
Straf
Soort procedure:
Hoger beroep
Inhoudsindicatie:
Vrijspraak van overtreding van art 3 onder B/C van de Opiumwet.
Uitspraak
Parketnummer: 24-001691-08 Parketnummer eerste aanleg: 17-841909-07Arrest van 2 oktober 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 16 juni 2008 in de strafzaak tegen:[verdachte],geboren op [1974] te [geboorteplaats],wonende te [woonplaats], [adres],niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte, mr. A.A. Scholtmeijer, advocaat te Heerenveen.Het vonnis waarvan beroepDe politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.Gebruik van het rechtsmiddelDe verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroepDe raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.De vordering van de advocaat-generaalDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van voorarrest.De beslissing op het hoger beroepHet hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.TenlasteleggingAan de verdachte is ten laste gelegd, dat:hij op of omstreeks 11 oktober 2007 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan een (aantal) pers(o)n(en) en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.VrijspraakNiet kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat het bij [naam] aangetroffen bolletje, bevattende cocaïne, afkomstig is van verdachte of medeverdachte. Derhalve dient verdachte van het hem ten laste gelegde te worden vrijgesproken.De uitspraakHET HOF,RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.Dit arrest is aldus gewezen door mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. W. Foppen, in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers als griffier.
www.zmv-advocaten.nl
dinsdag 23 maart 2010
BERNARD CASE Europees Hof van Justitie
BERNARD CASE (Europees Hof van Justitie, C-325/08, 16 maart 2010).
Artikel 45 VWEU (voormalig artikel 39 EG) Vrij verkeer van werknemers, verplichting eerste contract als beroepsspeler bij opleidingsclub te tekenen, veroordeling van speler tot schadevergoeding wegens schending van deze verplichting, beperking beroepsvoetballers mag bij doelstelling om indienstneming en opleiding van jonge spelers aan te moedigen.
Olympique
tegen
Olivier Bernard,
Newcastle UFC,
De tewerkstelling van voetballers in Frankrijk werd ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geregeld door een handvest, dat het karakter van een collectieve arbeidsovereenkomst had. Titel III, hoofdstuk IV, ervan betrof de categorie ‘joueurs espoir’ (beloften), dat wil zeggen spelers in de leeftijd van 16 tot 22 jaar die als spelers in opleiding in dienst waren van een profclub op basis van een contract voor bepaalde tijd.
Het handvest verplichtte de speler van de categorie ‘beloften’, wanneer de club die hem had opgeleid dit van hem verlangde, na afloop van de opleiding zijn eerste contract als beroepsspeler bij deze club te tekenen. In dit verband bepaalde artikel 23 van het handvest, in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie:
“Bij het normale einde van het contract heeft de club het recht van de wederpartij te verlangen dat zij een contract als beroepsspeler tekent”.
Het handvest bevatte geen regeling inzake schadeloosstelling voor de opleidingsclub ingeval een speler bij afloop van de opleiding weigerde een contract als beroepsspeler bij deze club te tekenen.
In een dergelijk geval kon de opleidingsclub echter een vordering tegen de speler van de categorie ‘beloften’ instellen op basis van artikel L. 122-3-8 van de Code du travail (Franse arbeidswetboek), wegens niet-nakoming van de contractuele verplichtingen die voortvloeien uit artikel 23 van het handvest, strekkende tot veroordeling van deze speler tot betaling van schadevergoeding. Dit artikel L. 122-3-
“Behoudens toestemming van partijen, kan het contract voor bepaalde tijd slechts in het geval van ernstige wanprestatie of overmacht worden beëindigd vóór het verstrijken van de looptijd daarvan.
Neemt de werknemer deze bepalingen niet in acht, dan heeft de werkgever recht op schadevergoeding die overeenkomt met de geleden schade”.
Zaak
Op 1 juli 1997 tekende beroepsvoetballer Olivier Bernard een beloftecontract bij voetbalclub Olympique Lyonnais voor de duur van drie seizoenen.
Vóór het verstrijken van dat contract bood Olympique Lyonnais Bernard een eenjarig contract als beroepsvoetballer aan per 1 juli 2000.
Bernard weigerde dit contract te ondertekenen en sloot in augustus 2000 een contract als beroepsspeler bij voetbalclub Newcastle UFC.
Toen Olympique Lyonnais van dat contract vernam, dagvaardde de club Bernard voor de Conseil de prud’hommes (rechterlijke instantie voor arbeidsgeschillen) te Lyon teneinde hem en Newcastle UFC hoofdelijk te doen veroordelen tot betaling van schadevergoeding. Het gevorderde bedrag was 53.357,16 EUR, wat gelijk is aan het salaris dat Bernard gedurende een jaar zou hebben ontvangen indien hij het door Olympique Lyonnais voorgestelde contract had getekend.
De Conseil de prud’hommes te Lyon was van mening dat Bernard zijn contract eenzijdig had beëindigd, en veroordeelde hem en Newcastle UFC hoofdelijk tot betaling aan Olympique Lyonnais van een schadevergoeding van 22 867,35 EUR.
De Cour d’appel de Lyon vernietigde dit vonnis. Zij oordeelde in wezen dat de verplichting voor een speler bij afloop van de opleiding om een contract als beroepsspeler te tekenen bij de opleidingsclub, ook het daarmee verband houdende verbod voor deze speler meebracht om een dergelijk contract te tekenen bij een club uit een andere lidstaat, wat een schending van artikel 45 VWEU / 39 EG vormde.
Olympique Lyonnais heeft cassatie ingesteld tegen het arrest van de Cour d’appel de Lyon.
De Cour de cassation is van mening dat hoewel artikel 23 van het handvest een jonge speler niet formeel verbood om een contract als beroepsspeler te sluiten met een club uit een andere lidstaat, deze bepaling tot gevolg had dat hij werd belet of ervan weerhouden een dergelijk contract te tekenen, voor zover de schending van deze bepaling een veroordeling tot schadevergoeding met zich kon brengen.
De Cour de cassation wijst met klem erop dat het hoofdgeding een probleem van uitlegging van artikel 45 VWEU / 39 EG doet rijzen, aangezien het de vraag opwerpt of een dergelijke beperking haar rechtvaardiging kan vinden in de doelstelling om de indienstneming en opleiding van jonge beroepsvoetballer aan te moedigen, die voortvloeit uit het Bosman-arrest van 15 december 1995.
Daarop heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Verzet het in artikel 45 VWEU / 39 EG neergelegde beginsel van het vrije verkeer van werknemers zich tegen een bepaling van nationaal recht op grond waarvan een speler van de categorie ‘beloften’ die bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat van de Europese Unie, kan worden gelast schadevergoeding te betalen?
2) Zo ja, vormt de noodzaak om de indienstneming en opleiding van jonge beroepsspelers aan te moedigen een legitieme doelstelling of een dwingende reden van algemeen belang die een dergelijke beperking kan rechtvaardigen?
Beantwoording door het Hof
Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat, gelet op de doelstellingen van de Unie, sportbeoefening slechts onder het Unierecht valt in zoverre zij een economische activiteit vormt.
Daarom valt een sportieve activiteit, wanneer zij het karakter van arbeid in loondienst of van een bezoldigde dienstverrichting heeft, wat het geval is bij beroeps‑ of semi-beroepssporters, meer in het bijzonder binnen de werkingssfeer van de artikelen 45 VWEU en volgende of van de artikelen 56 VWEU.
In casu staat vast dat de arbeid in loondienst van Bernard binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt.
Vervolgens zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak artikel 45 VWEU niet alleen geldt voor het optreden van de overheid, maar ook voor bepalingen van andere aard die strekken tot collectieve regeling van arbeid in loondienst.
Aangezien de arbeidsvoorwaarden in de verschillende lidstaten nu eens worden beheerst door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, dan weer door collectieve arbeidsovereenkomsten en andere rechtshandelingen van privaatrechtelijke aard, zou een beperking van de verboden van artikel 45 VWEU tot handelingen van de overheid het gevaar inhouden van het ontstaan van ongelijkheden bij de toepassing ervan.
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat het handvest het karakter heeft van een nationale collectieve arbeidsovereenkomst, zodat het binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt.
Ten slotte moet met betrekking tot de vraag of een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een beperking als bedoeld in artikel 45 VWEU vormt, eraan worden herinnerd dat de bepalingen van het WEU-Verdrag inzake het vrije verkeer van personen in hun geheel beogen het de onderdanen van de lidstaten gemakkelijker te maken, op het grondgebied van de Unie om het even welk beroep uit te oefenen, en in de weg staan aan regelingen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten.
Nationale bepalingen die een werknemer die onderdaan is van een lidstaat beletten of ervan weerhouden zijn land van herkomst te verlaten om zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, leveren derhalve beperkingen van die vrijheid op, zelfs wanneer zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing zijn.
Er dient te worden vastgesteld dat een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij een speler van de categorie ‘beloften’ bij afloop van zijn opleidingsperiode op straffe van schadevergoeding verplicht is zijn eerste contract als beroepsspeler te sluiten met de club die hem heeft opgeleid, deze speler ervan kan weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen.
Zoals Olympique Lyonnais opmerkt, belet een dergelijke regeling deze speler weliswaar niet formeel een contract als beroepsspeler te tekenen bij een club uit een andere lidstaat, maar maakt zij niettemin de uitoefening van dit recht minder aantrekkelijk.
Bijgevolg vormt deze regeling een beperking van het krachtens artikel 45 VWEU binnen de Unie gewaarborgde vrije verkeer van werknemers.
Rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van werknemers
Een maatregel die het vrije verkeer van werknemers belemmert is slechts toelaatbaar wanneer hij een legitieme, met het Verdrag verenigbare doelstelling nastreeft en zijn rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang. Daarenboven moet in een dergelijk geval de toepassing van de betrokken maatregel geschikt zijn om de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling te verzekeren en niet verder gaan dan ter bereiking van deze doelstelling noodzakelijk is.
Met betrekking tot beroepssport heeft het Hof reeds vastgesteld dat gezien het grote maatschappelijke belang van sport en inzonderheid van voetbal in de Unie, moet worden erkend dat de aanmoediging van de indienstneming en opleiding van jonge spelers een legitieme doelstelling is.
Om na te gaan of een regeling die het recht van vrij verkeer van deze spelers beperkt, geschikt is om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen en niet verder gaat dan ter bereiking van deze doelstelling noodzakelijk is, moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van sport in het algemeen en van voetbal in het bijzonder, alsmede met de sociale en educatieve functie ervan. De relevantie van deze factoren wordt bovendien bevestigd door de vermelding ervan in artikel 165, lid 1, tweede alinea, VWEU.
In dit verband moet worden erkend dat, zoals het Hof reeds heeft verklaard, het vooruitzicht een opleidingsvergoeding te ontvangen, de voetbalclubs kan aansporen op zoek te gaan naar talent en jonge spelers op te leiden.
De opbrengst uit de met dit doel door opleidende clubs verrichte investeringen wordt immers gekenmerkt door toeval, aangezien deze clubs de uitgaven dragen voor alle jonge spelers die zij in dienst nemen en, in voorkomend geval gedurende verscheidene jaren, opleiden, terwijl slechts een deel van deze spelers bij afloop van hun opleiding de sport als beroep gaat beoefenen, hetzij bij de opleidingsclub, hetzij bij een andere club.
Voorts worden de kosten van de opleiding van jonge spelers in het algemeen slechts gedeeltelijk gecompenseerd door de winst die de opleidingsclub gedurende de opleidingsperiode uit deze spelers kan halen.
In die omstandigheden zouden de opleidingsclubs kunnen worden ontmoedigd te investeren in de opleiding van jonge spelers indien zij de hiertoe gedane uitgaven niet vergoed konden krijgen ingeval een speler bij afloop van zijn opleiding een contract als beroepsspeler sluit met een andere club. Dit geldt met name voor kleine opleidingsclubs waarvan de investeringen op lokaal niveau in de indienstneming en opleiding van jonge spelers van groot belang zijn voor de vervulling van de sociale en educatieve functie van sport.
Hieruit volgt dat een regeling waarbij in de betaling van een opleidingsvergoeding wordt voorzien ingeval een jonge speler bij afloop van zijn opleiding een contract als beroepsspeler tekent bij een andere club dan de club die hem heeft opgeleid, in beginsel haar rechtvaardiging kan vinden in de doelstelling om de indienstneming en opleiding van jonge spelers aan te moedigen. Een dergelijke regeling moet echter daadwerkelijk geschikt zijn om deze doelstelling te verwezenlijken en moet hieraan evenredig zijn, rekening houdend met de kosten die de opleiding van zowel de toekomstige beroepsspelers als degenen die nooit beroepsspeler zullen worden, voor de clubs meebrengen.
Aangaande een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, blijkt uit het onderhavige arrest dat zij niet werd gekenmerkt door de betaling aan de opleidingsclub van een opleidingsvergoeding, maar van schadevergoeding, waartoe de betrokken speler kon worden gelast wegens niet-nakoming van zijn contractuele verplichtingen en waarvan het bedrag losstond van de werkelijke opleidingskosten die door deze club waren gemaakt.
Zoals de Franse regering heeft uiteengezet, werd deze schadevergoeding krachtens artikel L. 122-3-8 van de Franse Code du travail namelijk niet berekend in verhouding tot de door de opleidingsclub gedragen opleidingskosten, maar aan de hand van de totale door deze club geleden schade. Bovendien werd, zoals Newcastle UFC heeft opgemerkt, het bedrag van deze schade vastgesteld op grond van een evaluatie aan de hand van criteria die niet op voorhand vastlagen.
In die omstandigheden ging het vooruitzicht dergelijke schadevergoeding te ontvangen verder dan noodzakelijk was om de indienstneming en opleiding van jonge spelers aan te moedigen, en om deze activiteiten te financieren.
Gelet op een en ander, moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 45 VWEU niet in de weg staat aan een regeling die, ter verwezenlijking van de doelstelling om de indienstneming en opleiding van jonge spelers aan te moedigen, de schadeloosstelling van de opleidingsclub waarborgt ingeval een jonge speler bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat, mits deze regeling geschikt is om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen en niet verder gaat dan ter bereiking van deze doelstelling noodzakelijk is.
Een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij een speler van de categorie ‘beloften’ die bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat, kan worden gelast schadevergoeding te betalen waarvan het bedrag losstaat van de werkelijke opleidingskosten, is niet noodzakelijk om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen.
Het Hof verklaart voor recht:
Artikel 45 VWEU staat niet in de weg aan een regeling die, ter verwezenlijking van de doelstelling om de indienstneming en opleiding van jonge spelers aan te moedigen, de schadeloosstelling van de opleidingsclub waarborgt ingeval een jonge speler bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat, mits deze regeling geschikt is om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen en niet verder gaat dan ter bereiking van deze doelstelling noodzakelijk is.
Een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij een speler van de categorie ‘beloften’ die bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat, kan worden gelast schadevergoeding te betalen waarvan het bedrag losstaat van de werkelijke opleidingskosten, is niet noodzakelijk om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen.
maandag 8 maart 2010
Civielrecht uitspraak erfdienstbaarheid
Print uitspraak
Datum uitspraak:
01-12-2009
Datum publicatie:
02-12-2009
Rechtsgebied:
Handelszaak
Soort procedure:
Hoger beroep
Inhoudsindicatie:
vordering tot opheffing erfdienstbaarheid. Vordering afgewezen gelet op mogelijkheid van een (terugkerend) belang tot gebruik van de erfdienstbaarheid.
Uitspraak
Arrest d.d. 1 december 2009Zaaknummer 107.002.187/01HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDENArrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:1. [appellant 1], wonende te [woonplaats],2. [appellant 2], wonende te [woonplaats],appellanten, in het principaal appel, geïntimeerden in het incidenteel appelin eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in voorwaardelijke reconventie,hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],advocaat: mr. J. Pieters, kantoorhoudende te Sneek,tegen[geïntimeerde],wonende te [woonplaats],geïntimeerde, in het principaal appel, appellant in het incidenteel appelin eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in voorwaardelijke reconventie,hierna te noemen: [geïntimeerde],advocaat: mr. R. Tamourt, kantoorhoudende te Heerenveen.Het geding in eerste instantieIn eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 7 februari 2007 door de rechtbank Leeuwarden.Het geding in hoger beroepBij exploot van 4 mei 2007 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 31 oktober 2007.De conclusie van de memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, luidt:"bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het eindvonnis d.d. 7 februari 2007 van de rechtbank Leeuwarden, bekend onder zaak- en rolnummer 77603 / 06 - 623, en, opnieuw rechtdoende,Appellanten toe te staan dat zij hun eis zullen wijzigen als volgt:a. Primair te verklaren voor recht dat er geen recht van erfdienstbaarheid is ontstaan danwel gevestigd ten laste van het perceel van appellanten, plaatselijk bekend te [adres nr. 7], kadastraal bekend, gemeente [---], sectie J, nummer [---], ten behoeve van het perceel van geïntimeerde, kadastraal bekend als gemeente [---], sectie J, nummer [---], plaatselijk bekend als [adres nr. 3 ];En voor het overige handhaven appellanten hun vordering en wordt verzocht aan hen toe te wijzen het in prima gevorderde zoals ingesteld bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie gedateerd 4 oktober 2006:b. De vorderingen van geïntimeerde af te wijzen, althans hem niet-ontvankelijk te verklaren,c. Subsidiair het recht van erfdienstbaarheid, zoals in de ruilverkavelingsakte d.d. 1978 beschreven, ten laste van het perceel van appellanten, plaatselijk bekend te [adres nr. 7], kadastraal bekend, gemeente [---], sectie J, nummer [---], welk recht van erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van het perceel van geïntimeerde, kadastraal bekend als gemeente [---], sectie J, nummer [---], plaatselijk bekend als [adres nr. 3 ], op te heffen.c. Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, althans kosten rechtens." Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:In het principaal appèl"[appellanten] niet ontvankelijk te verklaren althans zijn verzoeken af te wijzen."In het incidenteel appèl"het verzoek voormelde b (het hof leest: voormeld vonnis) van de rechtbank te Leeuwarden van 7 februari 2007 te vernietigen en opnieuw recht doende te bepalen dat: PRIMAIRI [appellanten] te veroordelen om, binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, [geïntimeerde] ongehinderd doorgang over zijn perce[adres nr. 7] ([---] J[---]) te verschaffen, zulks langs de noord en zuidoostkant van genoemd perceel, tot aan de openbare weg en wel op straffe van een aan [geïntimeerde] te verbeuren dwangsom van € 500,- per dag tot een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen hoogte, voor iedere dag dat [appellanten] in gebreke blijft aan de in deze uit te spreken veroordeling, te voldoen.SUBSIDIAIRII [appellanten] te veroordelen om aan [geïntimeerde] te voldoen een bedrag van € 31.000,- danwel een bedrag dat u in goede justitie juist acht. Indien en voorzover het primair gestelde wordt afgewezen (mede in verband met een beroep op opheffing).III [appellanten] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de kosten van beslaglegging."Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.De grieven[appellanten] hebben in het principaal appel zes grieven opgeworpen. Het hof merkt op dat in de memorie van grieven abusievelijk twee keren grief 2 is vermeld. Het hof zal de grieven in het navolgende behandelen als respectievelijk grief 2 en grief 2A.Het hof begrijpt de stellingen van [geïntimeerde] aldus dat hij in het incidenteel appel een algemene grief opwerpt, waarin hij onder herhaling van zijn stellingen uit de eerste aanleg alsnog toewijzing van zijn vorderingen vraagt. De beoordelingIn het principaal en het incidenteel appelDe vaststaande feiten1. Behoudens het gestelde in grief 1 in het principaal appel zijn geen grieven ontwikkeld tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.5 van het vonnis d.d. 7 februari 2007 waarvan beroep, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan, zulks met inachtneming van hetgeen hierna met betrekking tot die grief zal worden overwogen. 2. Nu [appellanten] dit hebben bestreden, zal het hof niet als vaststaand feit aannemen zoals de rechtbank onder r.o. 2.3 heeft overwogen, dat er sprake is van een doorgang van 3.8 meter. Overigens hebben [appellanten] blijkens het proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg zelf verklaard dat aan de rechterkant van hun woning gezien vanaf de straatkant een strook van 3,7 meter is. Het hof zal hiervan derhalve verder uitgaan. 3. Het gaat in deze zaak om het volgende.3.1. Aan de [adres] ligt ingesloten door bos een viertal percelen. Het gaat om een perceel grasland en drie bebouwde percelen. [geïntimeerde] is eigenaar van het perceel [adres nr. 3] alsmede van het perceel grasland. [adres nr. 5] is eigendom van meerdere eigenaren waaronder [geïntimeerde]. Het [adres nr. 7] is in eigendom van [appellanten] 3.2. Het perceel [adres nr. 3] ligt niet aan de openbare weg en is daarvan afgesloten door het perceel grasland en de percelen nummer 5 en 7 welke beide aan de openbare weg liggen. [geïntimeerde] wil de woning aan [adres nr. 3] verwijderen. [geïntimeerde] is voornemens een nieuwe woning te bouwen op het perceel [adres nr. 3]. 3.3. [geïntimeerde] en de vorige eigenaren van de woning aan [adres nr. 3] hebben altijd gebruik gemaakt van een kruipad dat loopt over het perceel [adres nr. 5] naar de openbare weg. Een aantal van de eigenaren van dit perceel hebben kenbaar gemaakt dit gebruik slechts te dulden totdat uitspraak in de onderhavige zaak is gedaan.3.4. [geïntimeerde] wil gebruik maken van de door hem gepretendeerde erfdienstbaarheid ten behoeve van het hem toebehorende perceel [adres nr. 3], behelzende het recht van weg van en naar de openbare weg over het perceel van [appellanten] [adres nr. 7]. [appellanten] weigeren [geïntimeerde] doorgang te verlenen. 3.5. In de leveringsakte van 24 oktober 1997, waarbij het perceel [adres nr. 7] aan [appellanten] is geleverd (productie 2 bij de conclusie van antwoord in conventie), wordt de erfdienstbaarheid als volgt omschreven: "Met betrekking tot bekende erfdienstbaarheden, kwalitatieve bedingen en/of bijzondere verplichtingen wordt verwezen naar hetgeen is vermeld in een vroegere titel van aankomst (toedeling bij akte van toedeling ingevolge ruilverkaveling "JUBBEGA-SCHUREGA"), de dato zeven november negentienhonderd achtenzeventig verleden voor [persoonsnaam], destijds notaris te [plaats] (...) waarin ondermeer woordelijk staat vermeld dat het bij deze akte verkochte perceel (ten tijde van voormelde ruilverkaveling bekend als kavel nummer 07010) als lijdend erf is belast met een recht van weg van en naar de openbare weg ten behoeve van kavel 07007 als heersend erf."Bij het in aangehaald relaas als kavel 07007 aangeduid perceel gaat het om het perceel [adres nr. 3]. 4. In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] primair [appellanten] te veroordelen om hem ongehinderd doorgang te verlenen en subsidiair [appellanten] te veroordelen tot betaling van € 31.000,- aan [geïntimeerde]. 5. [appellanten] vorderen primair te verklaren voor recht dat er geen recht van erfdienstbaarheid is ontstaan en subsidiair het recht van erfdienstbaarheid op te heffen op grond van op grond van onvoorziene omstandigheden en strijd met het algemeen belang (art. 5:78 BW) en het ontbreken van een redelijk belang van [geïntimeerde] bij de uitoefening daarvan (art. 5:79 BW). 6. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] en [appellanten] afgewezen. In het principaal appelMet betrekking tot de grieven 2, 2A en 3:7. De genoemde percelen aan [adres] maakten destijds onderdeel uit van het te verkavelen gebied van de ruilverkaveling "Jubbega-Schurega". Dit blijkt uit het als productie 2 bij de dagvaarding in eerste aanleg overgelegde stuk, hetwelk betreft de overschrijving van de akte van toedeling in de ruilverkaveling "Jubbega-Schurega". De Ruilverkavelingswet 1954 die op 15 oktober 1985 is vervangen door de Landinrichtingswet, was op deze ruilverkaveling van toepassing. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 82 van de Ruilverkavelingswet 1954 wordt door de plaatselijke commissie een plan van toedeling opgemaakt. Dit plan behelst, naast de kavelindeling en de toedeling der kavels, de regeling of opheffing van zakelijke rechten als bedoeld in artikel 28 van de Ruilverkavelingswet 1954. Bij akte van toedeling is de litigieuze erfdienstbaarheid gevestigd van en naar de openbare weg ten behoeve van het perceel [adres nr. 3] en ten laste van [adres nr. 7]. 8. Voordien was er een erfdienstbaarheid van kruipad ten behoeve van het perceel [adres nr. 3] en ten laste van het perceel [adres nr. 5]. 9. De grieven 2 en 2A richten zich, kort gezegd, tegen de overweging van de rechtbank dat niet is gebleken dat abusievelijk een recht van erfdienstbaarheid is gevestigd in de ruilverkavelingsakte. [appellanten] hebben aangevoerd dat nimmer een wijziging van de feitelijke situatie is beoogd alsmede dat er geen recht van erfdienstbaarheid kan zijn gevestigd, nu titel en levering niet met elkaar in overeenstemming zijn. [appellanten] betogen daartoe dat het nooit de bedoeling van partijen is geweest een wijziging te brengen in de bestaande situatie. Daartoe verwijzen zij naar de getuigenverklaringen welke als productie 11, 12, 13 en 14 in eerste aanleg zijn overgelegd. Tevens beroepen [appellanten] zich in dit verband op een arrest van de Hoge Raad (HR 13 juni 2003, NJ 2004, 251) waarin onder meer wordt overwogen dat het bij de beantwoording van de vraag of een erfdienstbaarheid tot stand is gekomen, aankomt op de in de desbetreffende akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling.10. Naar het oordeel van het hof miskennen [appellanten] dat, anders dan in het bedoelde arrest van de Hoge Raad, de litigieuze erfdienstbaarheid niet haar grond vindt in een obligatoire overeenkomst, maar in de uitoefening van de daartoe strekkende bevoegdheid van de plaatselijke commissie welke verankerd is in de Ruilverkavelingswet 1954. 10.1. Hierbij merkt het hof nog op dat in het stelsel van de Ruilverkavelingswet 1954 vorenbedoeld plan ter inzage wordt gelegd en iedere belanghebbende zijn bezwaren tegen het plan schriftelijk bij de commissie kenbaar kan maken. Gesteld noch gebleken is dat bij de regeling van het recht van erfdienstbaarheid in het plan van toedeling door de commissie een fout is gemaakt, of dat belanghebbenden destijds gebruik hebben gemaakt van de bezwaarmogelijkheden nadat het plan van toedeling ter inzage was gelegd. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Ruilverkavelingswet 1954 een recht van erfdienstbaarheid tot stand is gekomen. 10.2. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat op grond van de door [appellanten] overgelegde getuigenverklaringen niet is aangetoond dat er - tijdens de eerder genoemde ruilverkaveling - een fout is gemaakt bij de regeling van de erfdienstbaarheid. 10.3. Dat er vóór het passeren van de ruilverkavelingsakte een recht van erfdienstbaarheid was gevestigd het laste van het perceel nummer 5 en ten behoeve van het perceel nummer 3 van [geïntimeerde], kan hieraan niet afdoen. Inherent aan een ruilverkaveling is nu juist dat er wijzigingen tot stand kunnen worden gebracht in bestaande zakelijke rechten. 11. De grieven 2 en 2A falen derhalve. 12. Op grond van het voorgaande is voor een bewijsopdracht geen plaats, zodat het hof aan grief 3 niet toekomt. Met betrekking tot grief 4:13. De grief richt zich, kort gezegd, tegen het oordeel van de rechtbank dat de opheffing van het recht van erfdienstbaarheid niet mogelijk is op grond van artikel 5:78 sub b, nu ingevolge artikel 165 Overgangswet NBW opheffing van onder het oude recht gevestigde erfdienstbaarheden zijn uitgesloten. 14. Het litigieuze recht van erfdienstbaarheid is, zoals vermeld in onderdeel 7, gevestigd in de ruilverkaveling van 1978, derhalve voor de invoering van het huidige BW. [appellanten] hebben zich erop beroepen dat artikel 165 Overgangswet NBW buiten toepassing dient te blijven en beroept zich daarbij op het bepaalde in de artt. 6:248 BW, tweede lid alsmede artikel 75 Overgangswet NBW, waarin is bepaald dat een geldende regel niet van toepassing is, voor zover die in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. 15. Het hof is van oordeel dat [appellanten] geen dan wel onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld die maken dat een beroep op de voormelde bepalingen hem kan baten. 16. De grief treft geen doel.Met betrekking tot grief 517. De grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de erfdienstbaarheid niet op grond van artikel 5:79 BW kan worden opgeheven. 18. Op grond van het bepaalde in artikel 5:79 BW kan de rechter een recht van erfdienstbaarheid opheffen, indien de uitoefening daarvan onmogelijk is geworden of indien de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft, en het niet aannemelijk is dat de mogelijkheid van uitoefening of het redelijk belang daarbij zal terugkeren. 18.1. [geïntimeerde] is thans eigenaar van zowel het perceel [adres nr. 3] als van het perceel grasland. Daarmee heeft [geïntimeerde] thans geen redelijk belang bij de uitoefening van het recht van erfdienstbaarheid. De percelen waren voorheen in verschillende handen. [appellanten] hebben geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat dit in de toekomst niet opnieuw het geval zou kunnen zijn, terwijl de stelling van [geïntimeerde] dat de eigendom van de percelen in de toekomst (wellicht) weer in verschillende handen komen, het hof niet zonder meer onaannemelijk voorkomt nu niet is gesteld of gebleken dat integratie van de beide percelen heeft plaatsgevonden. De mogelijkheid van een (terugkerend) belang tot gebruik van de erfdienstbaarheid in de toekomst is daarmee gegeven. Het voorgaande brengt mee dat de vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid om die reden dient te worden afgewezen. 18.2. Overigens en ten overvloede merkt het hof op dat de vraag zou kunnen worden opgeworpen of [geïntimeerde] door in de onderhavige situatie gebruik te maken van zijn recht om te komen van en te gaan naar zijn perceel [adres nr. 3] via het perceel van [appellanten], [adres nr. 7], geen misbruik van zijn recht zou maken. 19. Deze grief deelt derhalve het lot van de voorgaande. Met betrekking tot grief 620. Grief 6, die zich richt tegen de proceskostenveroordeling, ontbeert zelfstandige betekenis, zodat bespreking hiervan achterwege kan blijven. In het incidenteel appel21. Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het principaal appel is overwogen, vloeit voort dat daarmee de grond aan de primaire en subsidiaire vordering in het incidenteel appel komt te ontvallen. De slotsom22. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellanten] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in het principaal appel (tarief II, 1 punt) en met veroordeling van [geïntimeerde] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in het incidenteel appel (de helft van het tarief II, 1 punt).De beslissingHet gerechtshof:In het principaal en incidenteel appel:bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;In het principaal appel:veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep in het principaal appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] op€ 300,-- aan verschotten en € 894,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.In het incidenteel appel:veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep in het incidenteel appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] op nihil en € 447,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;wijst af het meer of anders gevorderde.Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, Verschuur en Breemhaar, raden en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 1 december 2009 in bijzijn van de griffier.
Strafrecht
Print uitspraak
Datum uitspraak:
24-04-2006
Datum publicatie:
02-05-2006
Rechtsgebied:
Straf
Soort procedure:
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie:
Bedreiging, neppistool, slachtofferverklaring, schadevergoedingsmaatregel
Uitspraak
Rechtbank LeeuwardenSector strafrechtVERKORT VONNISUitspraak: 24 april 2006 Parketnummer: 17/781094-05 VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:[verdachte],geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres]De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 10 april 2006.De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.A. Tamourt, advocaat te Heerenveen.TELASTELEGGINGAan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.PARTIËLE VRIJSPRAAKDe verdachte moet van het primair telastegelegde worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet bewezen acht.BEWEZENVERKLARINGDe rechtbank acht het subsidiair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:hij op 16 december 2004 te Heerenveen, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, (op korte afstand) op de borst van die [slachtoffer] gericht en gericht gehouden en vervolgens deze [slachtoffer] daarbij (dreigend) de woorden toegevoegd: "Je geld of je leven".De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.KWALIFICATIEHet bewezene levert op het misdrijf: subsidiair: Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.STRAFBAARHEID VERDACHTEDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.STRAFMOTIVERING De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking: - de aard en de ernst van het gepleegde feit; - de omstandigheden waaronder dit is begaan;- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het adviesrapport;- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte ter zake het subsidiair telastegelegde tot een werkstraf van 150 uren alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand;- het pleidooi van de raadsman.Verdachte heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan bedreiging van een vrouw met een neppistool. Het was op een koopavond na sluitingstijd van de winkels en het was donker. Het slachtoffer heeft in een schriftelijke slachtofferverklaring aangegeven dat zij zich maandenlang angstig heeft gevoeld, met name als het stil of donker was. Zij hoopt weer van het leven te kunnen genieten zonder argwaan en wantrouwen. Bij de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met justitie. Ook het aandeel dat verdachte heeft gehad in het strafbare feit, waarbij de medeverdachte het neppistool daadwerkelijk op het slachtoffer heeft gericht, heeft een rol gespeeld. Verdachte heeft echter wel op zeer korte afstand erbij gestaan en heeft eerder die avond zelf ook mensen het pistool laten zien. Verdachte heeft geen afstand genomen van de medeverdachte, zoals hij heeft aangegeven ter zitting, maar is de hele tijd met de medeverdachte rondjes door Heerenveen blijven lopen.Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf een passende straf is. Om te voorkomen dat verdachte zich weer in groepsverband laat verleiden tot ongewenst gedrag zal de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.BENADEELDE PARTIJ[benadeelde partij] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade in ieder geval tot een bedrag van ? 500,00 voldoende aannemelijk is geworden en (hoofdelijk) toewijsbaar is nu deze schade in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht het meer-gevorderde niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in het strafgeding, zodat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard.De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toegewezen bedrag aangewezen.TOEPASSING VAN WETSARTIKELENDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a(oud), 14b(oud), 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 285(oud) van het Wetboek van Strafrecht. DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDTRECHTDOENDE:Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.Veroordeelt verdachte te dier zake tot:Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 120 uren onbetaalde arbeid.Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.Een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [adres], toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van ? 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], te betalen een som geld ten bedrage van ? 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van ? 500,00 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. G. Bracht en mr. J.Y.B. Jansen, rechters, bijgestaan door mr. G.R.C. Veurink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2006.
