dinsdag 23 maart 2010

BERNARD CASE Europees Hof van Justitie

BERNARD CASE (Europees Hof van Justitie, C-325/08, 16 maart 2010).

Artikel 45 VWEU (voormalig artikel 39 EG) Vrij verkeer van werknemers, verplichting eerste contract als beroepsspeler bij opleidingsclub te tekenen, veroordeling van speler tot schadevergoeding wegens schending van deze verplichting, beperking beroepsvoetballers mag bij doelstelling om indienstneming en opleiding van jonge spelers aan te moedigen.

Olympique Lyonnais SASP

tegen

Olivier Bernard,

Newcastle UFC,

De tewerkstelling van voetballers in Frankrijk werd ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geregeld door een handvest, dat het karakter van een collectieve arbeidsovereenkomst had. Titel III, hoofdstuk IV, ervan betrof de categorie ‘joueurs espoir’ (beloften), dat wil zeggen spelers in de leeftijd van 16 tot 22 jaar die als spelers in opleiding in dienst waren van een profclub op basis van een contract voor bepaalde tijd.

Het handvest verplichtte de speler van de categorie ‘beloften’, wanneer de club die hem had opgeleid dit van hem verlangde, na afloop van de opleiding zijn eerste contract als beroepsspeler bij deze club te tekenen. In dit verband bepaalde artikel 23 van het handvest, in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie:

Bij het normale einde van het contract heeft de club het recht van de wederpartij te verlangen dat zij een contract als beroepsspeler tekent”.

Het handvest bevatte geen regeling inzake schadeloosstelling voor de opleidingsclub ingeval een speler bij afloop van de opleiding weigerde een contract als beroepsspeler bij deze club te tekenen.

In een dergelijk geval kon de opleidingsclub echter een vordering tegen de speler van de categorie ‘beloften’ instellen op basis van artikel L. 122-3-8 van de Code du travail (Franse arbeidswetboek), wegens niet-nakoming van de contractuele verplichtingen die voortvloeien uit artikel 23 van het handvest, strekkende tot veroordeling van deze speler tot betaling van schadevergoeding. Dit artikel L. 122-3-8, in de op de feiten in het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalde:

Behoudens toestemming van partijen, kan het contract voor bepaalde tijd slechts in het geval van ernstige wanprestatie of overmacht worden beëindigd vóór het verstrijken van de looptijd daarvan.

Neemt de werknemer deze bepalingen niet in acht, dan heeft de werkgever recht op schadevergoeding die overeenkomt met de geleden schade”.

Zaak

Op 1 juli 1997 tekende beroepsvoetballer Olivier Bernard een beloftecontract bij voetbalclub Olympique Lyonnais voor de duur van drie seizoenen.

Vóór het verstrijken van dat contract bood Olympique Lyonnais Bernard een eenjarig contract als beroepsvoetballer aan per 1 juli 2000.

Bernard weigerde dit contract te ondertekenen en sloot in augustus 2000 een contract als beroepsspeler bij voetbalclub Newcastle UFC.

Toen Olympique Lyonnais van dat contract vernam, dagvaardde de club Bernard voor de Conseil de prud’hommes (rechterlijke instantie voor arbeidsgeschillen) te Lyon teneinde hem en Newcastle UFC hoofdelijk te doen veroordelen tot betaling van schadevergoeding. Het gevorderde bedrag was 53.357,16 EUR, wat gelijk is aan het salaris dat Bernard gedurende een jaar zou hebben ontvangen indien hij het door Olympique Lyonnais voorgestelde contract had getekend.

De Conseil de prud’hommes te Lyon was van mening dat Bernard zijn contract eenzijdig had beëindigd, en veroordeelde hem en Newcastle UFC hoofdelijk tot betaling aan Olympique Lyonnais van een schadevergoeding van 22 867,35 EUR.

De Cour d’appel de Lyon vernietigde dit vonnis. Zij oordeelde in wezen dat de verplichting voor een speler bij afloop van de opleiding om een contract als beroepsspeler te tekenen bij de opleidingsclub, ook het daarmee verband houdende verbod voor deze speler meebracht om een dergelijk contract te tekenen bij een club uit een andere lidstaat, wat een schending van artikel 45 VWEU / 39 EG vormde.

Olympique Lyonnais heeft cassatie ingesteld tegen het arrest van de Cour d’appel de Lyon.

De Cour de cassation is van mening dat hoewel artikel 23 van het handvest een jonge speler niet formeel verbood om een contract als beroepsspeler te sluiten met een club uit een andere lidstaat, deze bepaling tot gevolg had dat hij werd belet of ervan weerhouden een dergelijk contract te tekenen, voor zover de schending van deze bepaling een veroordeling tot schadevergoeding met zich kon brengen.

De Cour de cassation wijst met klem erop dat het hoofdgeding een probleem van uitlegging van artikel 45 VWEU / 39 EG doet rijzen, aangezien het de vraag opwerpt of een dergelijke beperking haar rechtvaardiging kan vinden in de doelstelling om de indienstneming en opleiding van jonge beroepsvoetballer aan te moedigen, die voortvloeit uit het Bosman-arrest van 15 december 1995.

Daarop heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

1) Verzet het in artikel 45 VWEU / 39 EG neergelegde beginsel van het vrije verkeer van werknemers zich tegen een bepaling van nationaal recht op grond waarvan een speler van de categorie ‘beloften’ die bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat van de Europese Unie, kan worden gelast schadevergoeding te betalen?

2) Zo ja, vormt de noodzaak om de indienstneming en opleiding van jonge beroepsspelers aan te moedigen een legitieme doelstelling of een dwingende reden van algemeen belang die een dergelijke beperking kan rechtvaardigen?

Beantwoording door het Hof

Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat, gelet op de doelstellingen van de Unie, sportbeoefening slechts onder het Unierecht valt in zoverre zij een economische activiteit vormt.

Daarom valt een sportieve activiteit, wanneer zij het karakter van arbeid in loondienst of van een bezoldigde dienstverrichting heeft, wat het geval is bij beroeps‑ of semi-beroepssporters, meer in het bijzonder binnen de werkingssfeer van de artikelen 45 VWEU en volgende of van de artikelen 56 VWEU.

In casu staat vast dat de arbeid in loondienst van Bernard binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt.

Vervolgens zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak artikel 45 VWEU niet alleen geldt voor het optreden van de overheid, maar ook voor bepalingen van andere aard die strekken tot collectieve regeling van arbeid in loondienst.

Aangezien de arbeidsvoorwaarden in de verschillende lidstaten nu eens worden beheerst door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, dan weer door collectieve arbeidsovereenkomsten en andere rechtshandelingen van privaatrechtelijke aard, zou een beperking van de verboden van artikel 45 VWEU tot handelingen van de overheid het gevaar inhouden van het ontstaan van ongelijkheden bij de toepassing ervan.

In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat het handvest het karakter heeft van een nationale collectieve arbeidsovereenkomst, zodat het binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt.

Ten slotte moet met betrekking tot de vraag of een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een beperking als bedoeld in artikel 45 VWEU vormt, eraan worden herinnerd dat de bepalingen van het WEU-Verdrag inzake het vrije verkeer van personen in hun geheel beogen het de onderdanen van de lidstaten gemakkelijker te maken, op het grondgebied van de Unie om het even welk beroep uit te oefenen, en in de weg staan aan regelingen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten.

Nationale bepalingen die een werknemer die onderdaan is van een lidstaat beletten of ervan weerhouden zijn land van herkomst te verlaten om zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, leveren derhalve beperkingen van die vrijheid op, zelfs wanneer zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing zijn.

Er dient te worden vastgesteld dat een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij een speler van de categorie ‘beloften’ bij afloop van zijn opleidingsperiode op straffe van schadevergoeding verplicht is zijn eerste contract als beroepsspeler te sluiten met de club die hem heeft opgeleid, deze speler ervan kan weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen.

Zoals Olympique Lyonnais opmerkt, belet een dergelijke regeling deze speler weliswaar niet formeel een contract als beroepsspeler te tekenen bij een club uit een andere lidstaat, maar maakt zij niettemin de uitoefening van dit recht minder aantrekkelijk.

Bijgevolg vormt deze regeling een beperking van het krachtens artikel 45 VWEU binnen de Unie gewaarborgde vrije verkeer van werknemers.

Rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van werknemers

Een maatregel die het vrije verkeer van werknemers belemmert is slechts toelaatbaar wanneer hij een legitieme, met het Verdrag verenigbare doelstelling nastreeft en zijn rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang. Daarenboven moet in een dergelijk geval de toepassing van de betrokken maatregel geschikt zijn om de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling te verzekeren en niet verder gaan dan ter bereiking van deze doelstelling noodzakelijk is.

Met betrekking tot beroepssport heeft het Hof reeds vastgesteld dat gezien het grote maatschappelijke belang van sport en inzonderheid van voetbal in de Unie, moet worden erkend dat de aanmoediging van de indienstneming en opleiding van jonge spelers een legitieme doelstelling is.

Om na te gaan of een regeling die het recht van vrij verkeer van deze spelers beperkt, geschikt is om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen en niet verder gaat dan ter bereiking van deze doelstelling noodzakelijk is, moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van sport in het algemeen en van voetbal in het bijzonder, alsmede met de sociale en educatieve functie ervan. De relevantie van deze factoren wordt bovendien bevestigd door de vermelding ervan in artikel 165, lid 1, tweede alinea, VWEU.

In dit verband moet worden erkend dat, zoals het Hof reeds heeft verklaard, het vooruitzicht een opleidingsvergoeding te ontvangen, de voetbalclubs kan aansporen op zoek te gaan naar talent en jonge spelers op te leiden.

De opbrengst uit de met dit doel door opleidende clubs verrichte investeringen wordt immers gekenmerkt door toeval, aangezien deze clubs de uitgaven dragen voor alle jonge spelers die zij in dienst nemen en, in voorkomend geval gedurende verscheidene jaren, opleiden, terwijl slechts een deel van deze spelers bij afloop van hun opleiding de sport als beroep gaat beoefenen, hetzij bij de opleidingsclub, hetzij bij een andere club.

Voorts worden de kosten van de opleiding van jonge spelers in het algemeen slechts gedeeltelijk gecompenseerd door de winst die de opleidingsclub gedurende de opleidingsperiode uit deze spelers kan halen.

In die omstandigheden zouden de opleidingsclubs kunnen worden ontmoedigd te investeren in de opleiding van jonge spelers indien zij de hiertoe gedane uitgaven niet vergoed konden krijgen ingeval een speler bij afloop van zijn opleiding een contract als beroepsspeler sluit met een andere club. Dit geldt met name voor kleine opleidingsclubs waarvan de investeringen op lokaal niveau in de indienstneming en opleiding van jonge spelers van groot belang zijn voor de vervulling van de sociale en educatieve functie van sport.

Hieruit volgt dat een regeling waarbij in de betaling van een opleidingsvergoeding wordt voorzien ingeval een jonge speler bij afloop van zijn opleiding een contract als beroepsspeler tekent bij een andere club dan de club die hem heeft opgeleid, in beginsel haar rechtvaardiging kan vinden in de doelstelling om de indienstneming en opleiding van jonge spelers aan te moedigen. Een dergelijke regeling moet echter daadwerkelijk geschikt zijn om deze doelstelling te verwezenlijken en moet hieraan evenredig zijn, rekening houdend met de kosten die de opleiding van zowel de toekomstige beroepsspelers als degenen die nooit beroepsspeler zullen worden, voor de clubs meebrengen.

Aangaande een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, blijkt uit het onderhavige arrest dat zij niet werd gekenmerkt door de betaling aan de opleidingsclub van een opleidingsvergoeding, maar van schadevergoeding, waartoe de betrokken speler kon worden gelast wegens niet-nakoming van zijn contractuele verplichtingen en waarvan het bedrag losstond van de werkelijke opleidingskosten die door deze club waren gemaakt.

Zoals de Franse regering heeft uiteengezet, werd deze schadevergoeding krachtens artikel L. 122-3-8 van de Franse Code du travail namelijk niet berekend in verhouding tot de door de opleidingsclub gedragen opleidingskosten, maar aan de hand van de totale door deze club geleden schade. Bovendien werd, zoals Newcastle UFC heeft opgemerkt, het bedrag van deze schade vastgesteld op grond van een evaluatie aan de hand van criteria die niet op voorhand vastlagen.

In die omstandigheden ging het vooruitzicht dergelijke schadevergoeding te ontvangen verder dan noodzakelijk was om de indienstneming en opleiding van jonge spelers aan te moedigen, en om deze activiteiten te financieren.

Gelet op een en ander, moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 45 VWEU niet in de weg staat aan een regeling die, ter verwezenlijking van de doelstelling om de indienstneming en opleiding van jonge spelers aan te moedigen, de schadeloosstelling van de opleidingsclub waarborgt ingeval een jonge speler bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat, mits deze regeling geschikt is om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen en niet verder gaat dan ter bereiking van deze doelstelling noodzakelijk is.

Een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij een speler van de categorie ‘beloften’ die bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat, kan worden gelast schadevergoeding te betalen waarvan het bedrag losstaat van de werkelijke opleidingskosten, is niet noodzakelijk om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen.

Het Hof verklaart voor recht:

Artikel 45 VWEU staat niet in de weg aan een regeling die, ter verwezenlijking van de doelstelling om de indienstneming en opleiding van jonge spelers aan te moedigen, de schadeloosstelling van de opleidingsclub waarborgt ingeval een jonge speler bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat, mits deze regeling geschikt is om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen en niet verder gaat dan ter bereiking van deze doelstelling noodzakelijk is.

Een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij een speler van de categorie ‘beloften’ die bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat, kan worden gelast schadevergoeding te betalen waarvan het bedrag losstaat van de werkelijke opleidingskosten, is niet noodzakelijk om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen.

1 opmerking:

Zillinger Molenaar en Verdonk advocaten Heerenveen zei

ZMV advocaten sportrecht Heerenveen
Zillinger Molenaar & Verdonk advocaten Heerenveen Adres: K.R. Poststraat 80-1, 8441 ER Heerenveen, Friesland, Nederland Tel: +31 0513 623666 Fax:+31 0513 625546.


ZMV advocaten is gevestigd in Heerenveen. Dit is – gezien ‘Sportstad Heerenveen’ – een goede strategische positie om de sporters in (Noord-)Nederland te bereiken / te bedienen. Daarbij speelt dat geen enkel advocatenkantoor – behoudens ZMV– in Noord-Nederland sport en recht als specialisatie aanbiedt. Het merendeel van de advocaten kantoor heeft grote affiniteit met sport. Voorts sponsort ZMV verschillende sportverenigingen (voetbal, (ijs)hockey, schaatsen, tennis, judo en kaatsen) en staat het kantoor diverse sportorganisaties / (top)sporters op sportgebied bij. Wij beschikken derhalve over de noodzakelijke informatiebronnen en contacten met betrekking tot sportrecht. De advocaten van ZMV zijn in secties ingedeeld (waaronder de sectie Sport & Recht). Zillinger Molenaar & Verdonk heeft een sectie sportrecht bestaande uit drie advocaten mr. R. Tamourt (Rachid), mr. A de Haan (Anton) en mr. B.J. van Popta (Bjernt). Alle drie zijn lid van de landelijke vereniging Sport en Recht en worden er regelmatig cursussen m.b.t. sport en recht gevolgd en heeft mr. R. Tamourt een licentie spelersmakelaar van de KNVB. Daarnaast is ons kantoor aangesloten bij “Sport en Zaken” (www.sportenzaken.nl) en adviseren wij o.a. Sportstad Heerenveen, Topsport Steunpunt Noord (Friesland, Groningen en Drenthe) en Topsport Steunpunt Zwolle.

http://www.zmv-advocaten.nl/


http://www.zmv-advocaten.nl/pageid=160/Sportrecht.html