dinsdag 23 maart 2010

BERNARD CASE Europees Hof van Justitie

BERNARD CASE (Europees Hof van Justitie, C-325/08, 16 maart 2010).

Artikel 45 VWEU (voormalig artikel 39 EG) Vrij verkeer van werknemers, verplichting eerste contract als beroepsspeler bij opleidingsclub te tekenen, veroordeling van speler tot schadevergoeding wegens schending van deze verplichting, beperking beroepsvoetballers mag bij doelstelling om indienstneming en opleiding van jonge spelers aan te moedigen.

Olympique Lyonnais SASP

tegen

Olivier Bernard,

Newcastle UFC,

De tewerkstelling van voetballers in Frankrijk werd ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geregeld door een handvest, dat het karakter van een collectieve arbeidsovereenkomst had. Titel III, hoofdstuk IV, ervan betrof de categorie ‘joueurs espoir’ (beloften), dat wil zeggen spelers in de leeftijd van 16 tot 22 jaar die als spelers in opleiding in dienst waren van een profclub op basis van een contract voor bepaalde tijd.

Het handvest verplichtte de speler van de categorie ‘beloften’, wanneer de club die hem had opgeleid dit van hem verlangde, na afloop van de opleiding zijn eerste contract als beroepsspeler bij deze club te tekenen. In dit verband bepaalde artikel 23 van het handvest, in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie:

Bij het normale einde van het contract heeft de club het recht van de wederpartij te verlangen dat zij een contract als beroepsspeler tekent”.

Het handvest bevatte geen regeling inzake schadeloosstelling voor de opleidingsclub ingeval een speler bij afloop van de opleiding weigerde een contract als beroepsspeler bij deze club te tekenen.

In een dergelijk geval kon de opleidingsclub echter een vordering tegen de speler van de categorie ‘beloften’ instellen op basis van artikel L. 122-3-8 van de Code du travail (Franse arbeidswetboek), wegens niet-nakoming van de contractuele verplichtingen die voortvloeien uit artikel 23 van het handvest, strekkende tot veroordeling van deze speler tot betaling van schadevergoeding. Dit artikel L. 122-3-8, in de op de feiten in het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalde:

Behoudens toestemming van partijen, kan het contract voor bepaalde tijd slechts in het geval van ernstige wanprestatie of overmacht worden beëindigd vóór het verstrijken van de looptijd daarvan.

Neemt de werknemer deze bepalingen niet in acht, dan heeft de werkgever recht op schadevergoeding die overeenkomt met de geleden schade”.

Zaak

Op 1 juli 1997 tekende beroepsvoetballer Olivier Bernard een beloftecontract bij voetbalclub Olympique Lyonnais voor de duur van drie seizoenen.

Vóór het verstrijken van dat contract bood Olympique Lyonnais Bernard een eenjarig contract als beroepsvoetballer aan per 1 juli 2000.

Bernard weigerde dit contract te ondertekenen en sloot in augustus 2000 een contract als beroepsspeler bij voetbalclub Newcastle UFC.

Toen Olympique Lyonnais van dat contract vernam, dagvaardde de club Bernard voor de Conseil de prud’hommes (rechterlijke instantie voor arbeidsgeschillen) te Lyon teneinde hem en Newcastle UFC hoofdelijk te doen veroordelen tot betaling van schadevergoeding. Het gevorderde bedrag was 53.357,16 EUR, wat gelijk is aan het salaris dat Bernard gedurende een jaar zou hebben ontvangen indien hij het door Olympique Lyonnais voorgestelde contract had getekend.

De Conseil de prud’hommes te Lyon was van mening dat Bernard zijn contract eenzijdig had beëindigd, en veroordeelde hem en Newcastle UFC hoofdelijk tot betaling aan Olympique Lyonnais van een schadevergoeding van 22 867,35 EUR.

De Cour d’appel de Lyon vernietigde dit vonnis. Zij oordeelde in wezen dat de verplichting voor een speler bij afloop van de opleiding om een contract als beroepsspeler te tekenen bij de opleidingsclub, ook het daarmee verband houdende verbod voor deze speler meebracht om een dergelijk contract te tekenen bij een club uit een andere lidstaat, wat een schending van artikel 45 VWEU / 39 EG vormde.

Olympique Lyonnais heeft cassatie ingesteld tegen het arrest van de Cour d’appel de Lyon.

De Cour de cassation is van mening dat hoewel artikel 23 van het handvest een jonge speler niet formeel verbood om een contract als beroepsspeler te sluiten met een club uit een andere lidstaat, deze bepaling tot gevolg had dat hij werd belet of ervan weerhouden een dergelijk contract te tekenen, voor zover de schending van deze bepaling een veroordeling tot schadevergoeding met zich kon brengen.

De Cour de cassation wijst met klem erop dat het hoofdgeding een probleem van uitlegging van artikel 45 VWEU / 39 EG doet rijzen, aangezien het de vraag opwerpt of een dergelijke beperking haar rechtvaardiging kan vinden in de doelstelling om de indienstneming en opleiding van jonge beroepsvoetballer aan te moedigen, die voortvloeit uit het Bosman-arrest van 15 december 1995.

Daarop heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

1) Verzet het in artikel 45 VWEU / 39 EG neergelegde beginsel van het vrije verkeer van werknemers zich tegen een bepaling van nationaal recht op grond waarvan een speler van de categorie ‘beloften’ die bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat van de Europese Unie, kan worden gelast schadevergoeding te betalen?

2) Zo ja, vormt de noodzaak om de indienstneming en opleiding van jonge beroepsspelers aan te moedigen een legitieme doelstelling of een dwingende reden van algemeen belang die een dergelijke beperking kan rechtvaardigen?

Beantwoording door het Hof

Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat, gelet op de doelstellingen van de Unie, sportbeoefening slechts onder het Unierecht valt in zoverre zij een economische activiteit vormt.

Daarom valt een sportieve activiteit, wanneer zij het karakter van arbeid in loondienst of van een bezoldigde dienstverrichting heeft, wat het geval is bij beroeps‑ of semi-beroepssporters, meer in het bijzonder binnen de werkingssfeer van de artikelen 45 VWEU en volgende of van de artikelen 56 VWEU.

In casu staat vast dat de arbeid in loondienst van Bernard binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt.

Vervolgens zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak artikel 45 VWEU niet alleen geldt voor het optreden van de overheid, maar ook voor bepalingen van andere aard die strekken tot collectieve regeling van arbeid in loondienst.

Aangezien de arbeidsvoorwaarden in de verschillende lidstaten nu eens worden beheerst door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, dan weer door collectieve arbeidsovereenkomsten en andere rechtshandelingen van privaatrechtelijke aard, zou een beperking van de verboden van artikel 45 VWEU tot handelingen van de overheid het gevaar inhouden van het ontstaan van ongelijkheden bij de toepassing ervan.

In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat het handvest het karakter heeft van een nationale collectieve arbeidsovereenkomst, zodat het binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt.

Ten slotte moet met betrekking tot de vraag of een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een beperking als bedoeld in artikel 45 VWEU vormt, eraan worden herinnerd dat de bepalingen van het WEU-Verdrag inzake het vrije verkeer van personen in hun geheel beogen het de onderdanen van de lidstaten gemakkelijker te maken, op het grondgebied van de Unie om het even welk beroep uit te oefenen, en in de weg staan aan regelingen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten.

Nationale bepalingen die een werknemer die onderdaan is van een lidstaat beletten of ervan weerhouden zijn land van herkomst te verlaten om zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, leveren derhalve beperkingen van die vrijheid op, zelfs wanneer zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing zijn.

Er dient te worden vastgesteld dat een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij een speler van de categorie ‘beloften’ bij afloop van zijn opleidingsperiode op straffe van schadevergoeding verplicht is zijn eerste contract als beroepsspeler te sluiten met de club die hem heeft opgeleid, deze speler ervan kan weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen.

Zoals Olympique Lyonnais opmerkt, belet een dergelijke regeling deze speler weliswaar niet formeel een contract als beroepsspeler te tekenen bij een club uit een andere lidstaat, maar maakt zij niettemin de uitoefening van dit recht minder aantrekkelijk.

Bijgevolg vormt deze regeling een beperking van het krachtens artikel 45 VWEU binnen de Unie gewaarborgde vrije verkeer van werknemers.

Rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van werknemers

Een maatregel die het vrije verkeer van werknemers belemmert is slechts toelaatbaar wanneer hij een legitieme, met het Verdrag verenigbare doelstelling nastreeft en zijn rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang. Daarenboven moet in een dergelijk geval de toepassing van de betrokken maatregel geschikt zijn om de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling te verzekeren en niet verder gaan dan ter bereiking van deze doelstelling noodzakelijk is.

Met betrekking tot beroepssport heeft het Hof reeds vastgesteld dat gezien het grote maatschappelijke belang van sport en inzonderheid van voetbal in de Unie, moet worden erkend dat de aanmoediging van de indienstneming en opleiding van jonge spelers een legitieme doelstelling is.

Om na te gaan of een regeling die het recht van vrij verkeer van deze spelers beperkt, geschikt is om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen en niet verder gaat dan ter bereiking van deze doelstelling noodzakelijk is, moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van sport in het algemeen en van voetbal in het bijzonder, alsmede met de sociale en educatieve functie ervan. De relevantie van deze factoren wordt bovendien bevestigd door de vermelding ervan in artikel 165, lid 1, tweede alinea, VWEU.

In dit verband moet worden erkend dat, zoals het Hof reeds heeft verklaard, het vooruitzicht een opleidingsvergoeding te ontvangen, de voetbalclubs kan aansporen op zoek te gaan naar talent en jonge spelers op te leiden.

De opbrengst uit de met dit doel door opleidende clubs verrichte investeringen wordt immers gekenmerkt door toeval, aangezien deze clubs de uitgaven dragen voor alle jonge spelers die zij in dienst nemen en, in voorkomend geval gedurende verscheidene jaren, opleiden, terwijl slechts een deel van deze spelers bij afloop van hun opleiding de sport als beroep gaat beoefenen, hetzij bij de opleidingsclub, hetzij bij een andere club.

Voorts worden de kosten van de opleiding van jonge spelers in het algemeen slechts gedeeltelijk gecompenseerd door de winst die de opleidingsclub gedurende de opleidingsperiode uit deze spelers kan halen.

In die omstandigheden zouden de opleidingsclubs kunnen worden ontmoedigd te investeren in de opleiding van jonge spelers indien zij de hiertoe gedane uitgaven niet vergoed konden krijgen ingeval een speler bij afloop van zijn opleiding een contract als beroepsspeler sluit met een andere club. Dit geldt met name voor kleine opleidingsclubs waarvan de investeringen op lokaal niveau in de indienstneming en opleiding van jonge spelers van groot belang zijn voor de vervulling van de sociale en educatieve functie van sport.

Hieruit volgt dat een regeling waarbij in de betaling van een opleidingsvergoeding wordt voorzien ingeval een jonge speler bij afloop van zijn opleiding een contract als beroepsspeler tekent bij een andere club dan de club die hem heeft opgeleid, in beginsel haar rechtvaardiging kan vinden in de doelstelling om de indienstneming en opleiding van jonge spelers aan te moedigen. Een dergelijke regeling moet echter daadwerkelijk geschikt zijn om deze doelstelling te verwezenlijken en moet hieraan evenredig zijn, rekening houdend met de kosten die de opleiding van zowel de toekomstige beroepsspelers als degenen die nooit beroepsspeler zullen worden, voor de clubs meebrengen.

Aangaande een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, blijkt uit het onderhavige arrest dat zij niet werd gekenmerkt door de betaling aan de opleidingsclub van een opleidingsvergoeding, maar van schadevergoeding, waartoe de betrokken speler kon worden gelast wegens niet-nakoming van zijn contractuele verplichtingen en waarvan het bedrag losstond van de werkelijke opleidingskosten die door deze club waren gemaakt.

Zoals de Franse regering heeft uiteengezet, werd deze schadevergoeding krachtens artikel L. 122-3-8 van de Franse Code du travail namelijk niet berekend in verhouding tot de door de opleidingsclub gedragen opleidingskosten, maar aan de hand van de totale door deze club geleden schade. Bovendien werd, zoals Newcastle UFC heeft opgemerkt, het bedrag van deze schade vastgesteld op grond van een evaluatie aan de hand van criteria die niet op voorhand vastlagen.

In die omstandigheden ging het vooruitzicht dergelijke schadevergoeding te ontvangen verder dan noodzakelijk was om de indienstneming en opleiding van jonge spelers aan te moedigen, en om deze activiteiten te financieren.

Gelet op een en ander, moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 45 VWEU niet in de weg staat aan een regeling die, ter verwezenlijking van de doelstelling om de indienstneming en opleiding van jonge spelers aan te moedigen, de schadeloosstelling van de opleidingsclub waarborgt ingeval een jonge speler bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat, mits deze regeling geschikt is om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen en niet verder gaat dan ter bereiking van deze doelstelling noodzakelijk is.

Een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij een speler van de categorie ‘beloften’ die bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat, kan worden gelast schadevergoeding te betalen waarvan het bedrag losstaat van de werkelijke opleidingskosten, is niet noodzakelijk om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen.

Het Hof verklaart voor recht:

Artikel 45 VWEU staat niet in de weg aan een regeling die, ter verwezenlijking van de doelstelling om de indienstneming en opleiding van jonge spelers aan te moedigen, de schadeloosstelling van de opleidingsclub waarborgt ingeval een jonge speler bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat, mits deze regeling geschikt is om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen en niet verder gaat dan ter bereiking van deze doelstelling noodzakelijk is.

Een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij een speler van de categorie ‘beloften’ die bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat, kan worden gelast schadevergoeding te betalen waarvan het bedrag losstaat van de werkelijke opleidingskosten, is niet noodzakelijk om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen.

maandag 8 maart 2010

Civielrecht uitspraak erfdienstbaarheid

LJN: BK5135, Gerechtshof Leeuwarden , 107.002.187/01
Print uitspraak
Datum uitspraak:
01-12-2009
Datum publicatie:
02-12-2009
Rechtsgebied:
Handelszaak
Soort procedure:
Hoger beroep
Inhoudsindicatie:
vordering tot opheffing erfdienstbaarheid. Vordering afgewezen gelet op mogelijkheid van een (terugkerend) belang tot gebruik van de erfdienstbaarheid.
Uitspraak
Arrest d.d. 1 december 2009Zaaknummer 107.002.187/01HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDENArrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:1. [appellant 1], wonende te [woonplaats],2. [appellant 2], wonende te [woonplaats],appellanten, in het principaal appel, geïntimeerden in het incidenteel appelin eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in voorwaardelijke reconventie,hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],advocaat: mr. J. Pieters, kantoorhoudende te Sneek,tegen[geïntimeerde],wonende te [woonplaats],geïntimeerde, in het principaal appel, appellant in het incidenteel appelin eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in voorwaardelijke reconventie,hierna te noemen: [geïntimeerde],advocaat: mr. R. Tamourt, kantoorhoudende te Heerenveen.Het geding in eerste instantieIn eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 7 februari 2007 door de rechtbank Leeuwarden.Het geding in hoger beroepBij exploot van 4 mei 2007 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 31 oktober 2007.De conclusie van de memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, luidt:"bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het eindvonnis d.d. 7 februari 2007 van de rechtbank Leeuwarden, bekend onder zaak- en rolnummer 77603 / 06 - 623, en, opnieuw rechtdoende,Appellanten toe te staan dat zij hun eis zullen wijzigen als volgt:a. Primair te verklaren voor recht dat er geen recht van erfdienstbaarheid is ontstaan danwel gevestigd ten laste van het perceel van appellanten, plaatselijk bekend te [adres nr. 7], kadastraal bekend, gemeente [---], sectie J, nummer [---], ten behoeve van het perceel van geïntimeerde, kadastraal bekend als gemeente [---], sectie J, nummer [---], plaatselijk bekend als [adres nr. 3 ];En voor het overige handhaven appellanten hun vordering en wordt verzocht aan hen toe te wijzen het in prima gevorderde zoals ingesteld bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie gedateerd 4 oktober 2006:b. De vorderingen van geïntimeerde af te wijzen, althans hem niet-ontvankelijk te verklaren,c. Subsidiair het recht van erfdienstbaarheid, zoals in de ruilverkavelingsakte d.d. 1978 beschreven, ten laste van het perceel van appellanten, plaatselijk bekend te [adres nr. 7], kadastraal bekend, gemeente [---], sectie J, nummer [---], welk recht van erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van het perceel van geïntimeerde, kadastraal bekend als gemeente [---], sectie J, nummer [---], plaatselijk bekend als [adres nr. 3 ], op te heffen.c. Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, althans kosten rechtens." Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:In het principaal appèl"[appellanten] niet ontvankelijk te verklaren althans zijn verzoeken af te wijzen."In het incidenteel appèl"het verzoek voormelde b (het hof leest: voormeld vonnis) van de rechtbank te Leeuwarden van 7 februari 2007 te vernietigen en opnieuw recht doende te bepalen dat: PRIMAIRI [appellanten] te veroordelen om, binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, [geïntimeerde] ongehinderd doorgang over zijn perce[adres nr. 7] ([---] J[---]) te verschaffen, zulks langs de noord en zuidoostkant van genoemd perceel, tot aan de openbare weg en wel op straffe van een aan [geïntimeerde] te verbeuren dwangsom van € 500,- per dag tot een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen hoogte, voor iedere dag dat [appellanten] in gebreke blijft aan de in deze uit te spreken veroordeling, te voldoen.SUBSIDIAIRII [appellanten] te veroordelen om aan [geïntimeerde] te voldoen een bedrag van € 31.000,- danwel een bedrag dat u in goede justitie juist acht. Indien en voorzover het primair gestelde wordt afgewezen (mede in verband met een beroep op opheffing).III [appellanten] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de kosten van beslaglegging."Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.De grieven[appellanten] hebben in het principaal appel zes grieven opgeworpen. Het hof merkt op dat in de memorie van grieven abusievelijk twee keren grief 2 is vermeld. Het hof zal de grieven in het navolgende behandelen als respectievelijk grief 2 en grief 2A.Het hof begrijpt de stellingen van [geïntimeerde] aldus dat hij in het incidenteel appel een algemene grief opwerpt, waarin hij onder herhaling van zijn stellingen uit de eerste aanleg alsnog toewijzing van zijn vorderingen vraagt. De beoordelingIn het principaal en het incidenteel appelDe vaststaande feiten1. Behoudens het gestelde in grief 1 in het principaal appel zijn geen grieven ontwikkeld tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.5 van het vonnis d.d. 7 februari 2007 waarvan beroep, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan, zulks met inachtneming van hetgeen hierna met betrekking tot die grief zal worden overwogen. 2. Nu [appellanten] dit hebben bestreden, zal het hof niet als vaststaand feit aannemen zoals de rechtbank onder r.o. 2.3 heeft overwogen, dat er sprake is van een doorgang van 3.8 meter. Overigens hebben [appellanten] blijkens het proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg zelf verklaard dat aan de rechterkant van hun woning gezien vanaf de straatkant een strook van 3,7 meter is. Het hof zal hiervan derhalve verder uitgaan. 3. Het gaat in deze zaak om het volgende.3.1. Aan de [adres] ligt ingesloten door bos een viertal percelen. Het gaat om een perceel grasland en drie bebouwde percelen. [geïntimeerde] is eigenaar van het perceel [adres nr. 3] alsmede van het perceel grasland. [adres nr. 5] is eigendom van meerdere eigenaren waaronder [geïntimeerde]. Het [adres nr. 7] is in eigendom van [appellanten] 3.2. Het perceel [adres nr. 3] ligt niet aan de openbare weg en is daarvan afgesloten door het perceel grasland en de percelen nummer 5 en 7 welke beide aan de openbare weg liggen. [geïntimeerde] wil de woning aan [adres nr. 3] verwijderen. [geïntimeerde] is voornemens een nieuwe woning te bouwen op het perceel [adres nr. 3]. 3.3. [geïntimeerde] en de vorige eigenaren van de woning aan [adres nr. 3] hebben altijd gebruik gemaakt van een kruipad dat loopt over het perceel [adres nr. 5] naar de openbare weg. Een aantal van de eigenaren van dit perceel hebben kenbaar gemaakt dit gebruik slechts te dulden totdat uitspraak in de onderhavige zaak is gedaan.3.4. [geïntimeerde] wil gebruik maken van de door hem gepretendeerde erfdienstbaarheid ten behoeve van het hem toebehorende perceel [adres nr. 3], behelzende het recht van weg van en naar de openbare weg over het perceel van [appellanten] [adres nr. 7]. [appellanten] weigeren [geïntimeerde] doorgang te verlenen. 3.5. In de leveringsakte van 24 oktober 1997, waarbij het perceel [adres nr. 7] aan [appellanten] is geleverd (productie 2 bij de conclusie van antwoord in conventie), wordt de erfdienstbaarheid als volgt omschreven: "Met betrekking tot bekende erfdienstbaarheden, kwalitatieve bedingen en/of bijzondere verplichtingen wordt verwezen naar hetgeen is vermeld in een vroegere titel van aankomst (toedeling bij akte van toedeling ingevolge ruilverkaveling "JUBBEGA-SCHUREGA"), de dato zeven november negentienhonderd achtenzeventig verleden voor [persoonsnaam], destijds notaris te [plaats] (...) waarin ondermeer woordelijk staat vermeld dat het bij deze akte verkochte perceel (ten tijde van voormelde ruilverkaveling bekend als kavel nummer 07010) als lijdend erf is belast met een recht van weg van en naar de openbare weg ten behoeve van kavel 07007 als heersend erf."Bij het in aangehaald relaas als kavel 07007 aangeduid perceel gaat het om het perceel [adres nr. 3]. 4. In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] primair [appellanten] te veroordelen om hem ongehinderd doorgang te verlenen en subsidiair [appellanten] te veroordelen tot betaling van € 31.000,- aan [geïntimeerde]. 5. [appellanten] vorderen primair te verklaren voor recht dat er geen recht van erfdienstbaarheid is ontstaan en subsidiair het recht van erfdienstbaarheid op te heffen op grond van op grond van onvoorziene omstandigheden en strijd met het algemeen belang (art. 5:78 BW) en het ontbreken van een redelijk belang van [geïntimeerde] bij de uitoefening daarvan (art. 5:79 BW). 6. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] en [appellanten] afgewezen. In het principaal appelMet betrekking tot de grieven 2, 2A en 3:7. De genoemde percelen aan [adres] maakten destijds onderdeel uit van het te verkavelen gebied van de ruilverkaveling "Jubbega-Schurega". Dit blijkt uit het als productie 2 bij de dagvaarding in eerste aanleg overgelegde stuk, hetwelk betreft de overschrijving van de akte van toedeling in de ruilverkaveling "Jubbega-Schurega". De Ruilverkavelingswet 1954 die op 15 oktober 1985 is vervangen door de Landinrichtingswet, was op deze ruilverkaveling van toepassing. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 82 van de Ruilverkavelingswet 1954 wordt door de plaatselijke commissie een plan van toedeling opgemaakt. Dit plan behelst, naast de kavelindeling en de toedeling der kavels, de regeling of opheffing van zakelijke rechten als bedoeld in artikel 28 van de Ruilverkavelingswet 1954. Bij akte van toedeling is de litigieuze erfdienstbaarheid gevestigd van en naar de openbare weg ten behoeve van het perceel [adres nr. 3] en ten laste van [adres nr. 7]. 8. Voordien was er een erfdienstbaarheid van kruipad ten behoeve van het perceel [adres nr. 3] en ten laste van het perceel [adres nr. 5]. 9. De grieven 2 en 2A richten zich, kort gezegd, tegen de overweging van de rechtbank dat niet is gebleken dat abusievelijk een recht van erfdienstbaarheid is gevestigd in de ruilverkavelingsakte. [appellanten] hebben aangevoerd dat nimmer een wijziging van de feitelijke situatie is beoogd alsmede dat er geen recht van erfdienstbaarheid kan zijn gevestigd, nu titel en levering niet met elkaar in overeenstemming zijn. [appellanten] betogen daartoe dat het nooit de bedoeling van partijen is geweest een wijziging te brengen in de bestaande situatie. Daartoe verwijzen zij naar de getuigenverklaringen welke als productie 11, 12, 13 en 14 in eerste aanleg zijn overgelegd. Tevens beroepen [appellanten] zich in dit verband op een arrest van de Hoge Raad (HR 13 juni 2003, NJ 2004, 251) waarin onder meer wordt overwogen dat het bij de beantwoording van de vraag of een erfdienstbaarheid tot stand is gekomen, aankomt op de in de desbetreffende akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling.10. Naar het oordeel van het hof miskennen [appellanten] dat, anders dan in het bedoelde arrest van de Hoge Raad, de litigieuze erfdienstbaarheid niet haar grond vindt in een obligatoire overeenkomst, maar in de uitoefening van de daartoe strekkende bevoegdheid van de plaatselijke commissie welke verankerd is in de Ruilverkavelingswet 1954. 10.1. Hierbij merkt het hof nog op dat in het stelsel van de Ruilverkavelingswet 1954 vorenbedoeld plan ter inzage wordt gelegd en iedere belanghebbende zijn bezwaren tegen het plan schriftelijk bij de commissie kenbaar kan maken. Gesteld noch gebleken is dat bij de regeling van het recht van erfdienstbaarheid in het plan van toedeling door de commissie een fout is gemaakt, of dat belanghebbenden destijds gebruik hebben gemaakt van de bezwaarmogelijkheden nadat het plan van toedeling ter inzage was gelegd. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Ruilverkavelingswet 1954 een recht van erfdienstbaarheid tot stand is gekomen. 10.2. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat op grond van de door [appellanten] overgelegde getuigenverklaringen niet is aangetoond dat er - tijdens de eerder genoemde ruilverkaveling - een fout is gemaakt bij de regeling van de erfdienstbaarheid. 10.3. Dat er vóór het passeren van de ruilverkavelingsakte een recht van erfdienstbaarheid was gevestigd het laste van het perceel nummer 5 en ten behoeve van het perceel nummer 3 van [geïntimeerde], kan hieraan niet afdoen. Inherent aan een ruilverkaveling is nu juist dat er wijzigingen tot stand kunnen worden gebracht in bestaande zakelijke rechten. 11. De grieven 2 en 2A falen derhalve. 12. Op grond van het voorgaande is voor een bewijsopdracht geen plaats, zodat het hof aan grief 3 niet toekomt. Met betrekking tot grief 4:13. De grief richt zich, kort gezegd, tegen het oordeel van de rechtbank dat de opheffing van het recht van erfdienstbaarheid niet mogelijk is op grond van artikel 5:78 sub b, nu ingevolge artikel 165 Overgangswet NBW opheffing van onder het oude recht gevestigde erfdienstbaarheden zijn uitgesloten. 14. Het litigieuze recht van erfdienstbaarheid is, zoals vermeld in onderdeel 7, gevestigd in de ruilverkaveling van 1978, derhalve voor de invoering van het huidige BW. [appellanten] hebben zich erop beroepen dat artikel 165 Overgangswet NBW buiten toepassing dient te blijven en beroept zich daarbij op het bepaalde in de artt. 6:248 BW, tweede lid alsmede artikel 75 Overgangswet NBW, waarin is bepaald dat een geldende regel niet van toepassing is, voor zover die in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. 15. Het hof is van oordeel dat [appellanten] geen dan wel onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld die maken dat een beroep op de voormelde bepalingen hem kan baten. 16. De grief treft geen doel.Met betrekking tot grief 517. De grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de erfdienstbaarheid niet op grond van artikel 5:79 BW kan worden opgeheven. 18. Op grond van het bepaalde in artikel 5:79 BW kan de rechter een recht van erfdienstbaarheid opheffen, indien de uitoefening daarvan onmogelijk is geworden of indien de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft, en het niet aannemelijk is dat de mogelijkheid van uitoefening of het redelijk belang daarbij zal terugkeren. 18.1. [geïntimeerde] is thans eigenaar van zowel het perceel [adres nr. 3] als van het perceel grasland. Daarmee heeft [geïntimeerde] thans geen redelijk belang bij de uitoefening van het recht van erfdienstbaarheid. De percelen waren voorheen in verschillende handen. [appellanten] hebben geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat dit in de toekomst niet opnieuw het geval zou kunnen zijn, terwijl de stelling van [geïntimeerde] dat de eigendom van de percelen in de toekomst (wellicht) weer in verschillende handen komen, het hof niet zonder meer onaannemelijk voorkomt nu niet is gesteld of gebleken dat integratie van de beide percelen heeft plaatsgevonden. De mogelijkheid van een (terugkerend) belang tot gebruik van de erfdienstbaarheid in de toekomst is daarmee gegeven. Het voorgaande brengt mee dat de vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid om die reden dient te worden afgewezen. 18.2. Overigens en ten overvloede merkt het hof op dat de vraag zou kunnen worden opgeworpen of [geïntimeerde] door in de onderhavige situatie gebruik te maken van zijn recht om te komen van en te gaan naar zijn perceel [adres nr. 3] via het perceel van [appellanten], [adres nr. 7], geen misbruik van zijn recht zou maken. 19. Deze grief deelt derhalve het lot van de voorgaande. Met betrekking tot grief 620. Grief 6, die zich richt tegen de proceskostenveroordeling, ontbeert zelfstandige betekenis, zodat bespreking hiervan achterwege kan blijven. In het incidenteel appel21. Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het principaal appel is overwogen, vloeit voort dat daarmee de grond aan de primaire en subsidiaire vordering in het incidenteel appel komt te ontvallen. De slotsom22. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellanten] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in het principaal appel (tarief II, 1 punt) en met veroordeling van [geïntimeerde] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in het incidenteel appel (de helft van het tarief II, 1 punt).De beslissingHet gerechtshof:In het principaal en incidenteel appel:bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;In het principaal appel:veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep in het principaal appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] op€ 300,-- aan verschotten en € 894,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.In het incidenteel appel:veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep in het incidenteel appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] op nihil en € 447,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;wijst af het meer of anders gevorderde.Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, Verschuur en Breemhaar, raden en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 1 december 2009 in bijzijn van de griffier.

Strafrecht

LJN: AW6165, Rechtbank Leeuwarden , 17/781094-05 VEV
Print uitspraak
Datum uitspraak:
24-04-2006
Datum publicatie:
02-05-2006
Rechtsgebied:
Straf
Soort procedure:
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie:
Bedreiging, neppistool, slachtofferverklaring, schadevergoedingsmaatregel
Uitspraak
Rechtbank LeeuwardenSector strafrechtVERKORT VONNISUitspraak: 24 april 2006 Parketnummer: 17/781094-05 VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:[verdachte],geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres]De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 10 april 2006.De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.A. Tamourt, advocaat te Heerenveen.TELASTELEGGINGAan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.PARTIËLE VRIJSPRAAKDe verdachte moet van het primair telastegelegde worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet bewezen acht.BEWEZENVERKLARINGDe rechtbank acht het subsidiair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:hij op 16 december 2004 te Heerenveen, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, (op korte afstand) op de borst van die [slachtoffer] gericht en gericht gehouden en vervolgens deze [slachtoffer] daarbij (dreigend) de woorden toegevoegd: "Je geld of je leven".De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.KWALIFICATIEHet bewezene levert op het misdrijf: subsidiair: Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.STRAFBAARHEID VERDACHTEDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.STRAFMOTIVERING De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking: - de aard en de ernst van het gepleegde feit; - de omstandigheden waaronder dit is begaan;- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het adviesrapport;- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte ter zake het subsidiair telastegelegde tot een werkstraf van 150 uren alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand;- het pleidooi van de raadsman.Verdachte heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan bedreiging van een vrouw met een neppistool. Het was op een koopavond na sluitingstijd van de winkels en het was donker. Het slachtoffer heeft in een schriftelijke slachtofferverklaring aangegeven dat zij zich maandenlang angstig heeft gevoeld, met name als het stil of donker was. Zij hoopt weer van het leven te kunnen genieten zonder argwaan en wantrouwen. Bij de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met justitie. Ook het aandeel dat verdachte heeft gehad in het strafbare feit, waarbij de medeverdachte het neppistool daadwerkelijk op het slachtoffer heeft gericht, heeft een rol gespeeld. Verdachte heeft echter wel op zeer korte afstand erbij gestaan en heeft eerder die avond zelf ook mensen het pistool laten zien. Verdachte heeft geen afstand genomen van de medeverdachte, zoals hij heeft aangegeven ter zitting, maar is de hele tijd met de medeverdachte rondjes door Heerenveen blijven lopen.Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf een passende straf is. Om te voorkomen dat verdachte zich weer in groepsverband laat verleiden tot ongewenst gedrag zal de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.BENADEELDE PARTIJ[benadeelde partij] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade in ieder geval tot een bedrag van ? 500,00 voldoende aannemelijk is geworden en (hoofdelijk) toewijsbaar is nu deze schade in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht het meer-gevorderde niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in het strafgeding, zodat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard.De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toegewezen bedrag aangewezen.TOEPASSING VAN WETSARTIKELENDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a(oud), 14b(oud), 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 285(oud) van het Wetboek van Strafrecht. DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDTRECHTDOENDE:Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.Veroordeelt verdachte te dier zake tot:Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 120 uren onbetaalde arbeid.Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.Een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [adres], toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van ? 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], te betalen een som geld ten bedrage van ? 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van ? 500,00 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. G. Bracht en mr. J.Y.B. Jansen, rechters, bijgestaan door mr. G.R.C. Veurink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2006.

Uitpsraak Gerechtshof Leeuwarden

LJN: BL6558, Gerechtshof Leeuwarden , 200.051.059/01
Print uitspraak
Datum uitspraak:
02-03-2010
Datum publicatie:
05-03-2010
Rechtsgebied:
Handelszaak
Soort procedure:
Hoger beroep
Inhoudsindicatie:
Vordering nakoming omgangsregeling afgewezen i.v.m. te zware psychische belasting voor de vrouw.
Uitspraak
Arrest d.d. 2 maart 2010Zaaknummer 200.051.059/01HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDENArrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:[appellant],wonende te [woonplaats],appellant,in eerste aanleg: eiser,hierna te noemen: [appellant],toevoeging aangevraagd,advocaat: mr. T. Bruinsma, kantoorhoudende te Lemmer,tegen[geïntimeerde],wonende te [woonplaats],geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde,hierna te noemen: [geïntimeerde],toevoeging,advocaat: mr. R.A. Tamourt, kantoorhoudende te Heerenveen.Het geding in eerste instantieIn eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 21 oktober 2009 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden.Het geding in hoger beroepBij exploot van 18 november 2009 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 15 december 2009.De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:"te vernietigen het vonnis op 21 oktober 2009 tussen partijen gewezen, onder kort-gedingnummer: 99461 / KG ZA 09-286 en, opnieuw rechtdoende, geïntimeerde alsnog te veroordelen tot nakoming van de omgangsregeling zoals vastgelegd in de beschikking van de Rechtbank d.d. 18 februari 2009, op verbeurte van een dwangsom van € 2.500,= voor iedere keer dat de vrouw niet aan het in dezen te wijzen arrest voldoet, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in beide instanties."Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde], onder overlegging van (ook reeds in eerste aanleg overgelegde) producties, verweer gevoerd met als conclusie:"om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van [appellant] af te wijzen en [appellant] te veroordelen in de kosten van deze procedure."Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.De grieven[appellant] heeft zes grieven opgeworpen.De beoordeling1. Als gesteld en erkend, dan wel niet (voldoende) gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende genoegzaam vast:- Partijen hebben een affectieve relatie gehad, welke eind maart 2008 ten einde is gekomen. Uit deze relatie in op [2004] een kind ([kind]) geboren. [kind] verblijft bij [geïntimeerde].- Tussen partijen zijn na de beëindiging van de relatie regelmatig problemen ontstaan, welke hebben geleid tot diverse aangiftes van de zijde van [geïntimeerde]. [appellant] heeft naar aanleiding daarvan in 2008 geruime tijd in voorarrest gezeten. - Bij kort geding vonnis van de rechtbank Leeuwarden d.d. 7 mei 2008 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank voor de duur van 12 maanden na de dag van betekening van bedoeld vonnis aan [appellant] een straat- en contactverbod opgelegd.- Bij beschikking d.d. 18 februari 2009 van de rechtbank Leeuwarden is met betrekking tot [kind] een omgangsregeling vastgesteld.- Sedert 29 augustus 2009 heeft [geïntimeerde] de omgangsregeling eenzijdig opgeschort. Er is nadien geen contact meer geweest tussen [appellant] en [kind]. - [geïntimeerde] heeft een verzoek bij de rechtbank ingediend tot wijziging van de vastgestelde omgangsregeling.- Ter mondelinge behandeling van dit kort geding in eerste aanleg hebben partijen ingestemd met een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.2. [appellant] vordert in dit kort geding nakoming van de vastgestelde omgangsregeling op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis waarvan beroep de vorderingen van [appellant] afgewezen en ieder der partijen belast met de eigen kosten.3. [appellant] heeft tegen dat vonnis hoger beroep aangetekend en heeft in dat kader een zestal grieven ontwikkeld.4. Gelet op de aard van de onderhavige vordering staat het (ook in hoger beroep vereiste) spoedeisend belang voldoende vast.Met betrekking tot de grieven:5. De grieven leggen het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. Het hof zal ze daarom gezamenlijk behandelen.6. Het hof leest in hetgeen [appellant] in de grieven heeft aangevoerd geen andere stellingen en/of verweren dan welke reeds in eerste aanleg door hem waren aangevoerd.7. De voorzieningenrechter heeft in het beroepen vonnis duidelijk en gemotiveerd aangegeven op grond waarvan hij/zij de stellingen en verweren van [appellant] heeft verworpen en de gevorderde voorzieningen heeft geweigerd. Het hof verenigt zich met deze overwegingen en neemt die hierbij over. Het hof voegt daar ter verduidelijking nog het volgende aan toe.8. Op grond van de door [geïntimeerde] overgelegde verklaring van de huisarts Warnaar d.d. 10-09-2009 (productie 7 van de in eerste aanleg door [geïntimeerde] overgelegde producties) en van de door [geïntimeerde] overgelegde verklaring van de psychiater Mutsaers d.d. 6 oktober 2009 (productie 8 van de in eerste aanleg door [geïntimeerde] overgelegde producties) is – mede in het licht van hetgeen eerder tussen partijen is voorgevallen (zie de vaststaande feiten) - voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat contacten met [appellant] voor [geïntimeerde] psychisch uiterst belastend zijn, hetgeen zonder twijfel invloed zal hebben op de uitoefening van haar taak als verzorgster en opvoedster van de thans ruim vijf jaar oude [kind].9. Ongewijzigde voortzetting van de omgangsregeling moet derhalve op dit moment niet in het belang van [kind] worden geacht.10. [appellant] heeft weliswaar onder grief V betoogd dat hij ter zitting in eerste aanleg voldoende alternatieven heeft aangedragen om omgang met [kind] mogelijk te maken zonder dat partijen elkaar tegenkomen, doch het hof moet vaststellen dat die alternatieven niet kenbaar zijn uit het vonnis waarvan beroep en in hoger beroep niet voldoende zijn geconcretiseerd, laat staan dat [appellant] een daarop toegespitste voorziening heeft gevorderd. 11. Onder deze omstandigheden worden, naar het voorlopig oordeel van het hof, de belangen van [kind] het meest gediend door het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming af te wachten en – met in achtneming van de conclusies van dat rapport – in de bodemprocedure de mogelijkheden van een - al dan niet aangepaste - omgangsregeling te onderzoeken en daaromtrent te beslissen.Slotsom12. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Gelet op de relatie tussen partijen zal het hof ook in hoger beroep ieder der partijen belasten met de eigen kosten.BeslissingHet gerechtshof:bekrachtigt het vonnis d.d. 21 oktober 2009, waarvan beroep;belast ieder der partijen met de eigen kosten in hoger beroep.Aldus gewezen door mr. Mollema, voorzitter en mrs. Rowel - Van der Linde en Fikkers, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 2 maart 2010 in bijzijn van de griffier.

Vonnis Rechtbank Leeuwarden Sportrecht

LJN: BI4091,Voorzieningenrechter Rechtbank Leeuwarden , 96537
Datum uitspraak:
15-05-2009
Datum publicatie:
15-05-2009
Rechtsgebied:
Handelszaak
Soort procedure:
Kort geding
Inhoudsindicatie:
Ontzegging verdere uitvoering stadionverbod
Uitspraak
vonnisRECHTBANK LEEUWARDENSector civiel rechtzaaknummer / rolnummer: 96537 / KG ZA 09-126Vonnis in kort geding van 15 mei 2009in de zaak van[eiser],wonende te Heerenveen,eiser,advocaat mr. R.A. Tamourt, kantoorhoudende te Heerenveen,tegende besloten vennootschap S.C. HEERENVEEN B.V.,gevestigd te Heerenveen,gedaagde,verschenen bij gemachtigde mr. J. Soet, bedrijfsjurist in dienst van SC Heerenveen B.V.Partijen zullen hierna [eiser] en SC Heerenveen genoemd worden.1. De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding- de mondelinge behandeling van 14 mei 2009, waarbij [eiser] werd bijgestaan door mr. De Haan, kantoorgenoot van mr. Tamourt voornoemd. - de pleitnota van SC Heerenveen.1.2. [eiser] heeft producties overgelegd. Ten slotte is vonnis bepaald.2. De feiten2.1. [eiser] is supporter en seizoenkaarthouder van de betaald voetbalorganisatie SC Heerenveen. SC Heerenveen is lid van de vereniging Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (hierna: de KNVB). 2.2. Op 15 september 2008 heeft SC Heerenveen [eiser] naar aanleiding van zijn gedrag bij de voetbalwedstrijd tussen Volendam en SC Heerenveen van 31 augustus 2008 een voorwaardelijk stadionverbod opgelegd, met een proeftijd van 36 maanden.2.3. Op 6 november 2008 heeft in Wolfsburg (Duitsland) een voetbalwedstrijd in de UEFA-Cup plaatsgevonden tussen VFL Wolfsburg en SC Heerenveen. Voorafgaand aan de wedstrijd zijn supporters van SC Heerenveen, waaronder [eiser], in het stadscentrum van Wolfsburg geweest. Toen een grote groep supporters rond 18.00 uur naar het stadion liep om de wedstrijd bij te wonen, heeft de Duitse politie op enig moment charges uitgevoerd. 2.4. De KNVB hanteert standaardvoorwaarden die verbindend zijn voor een ieder die in of buiten Nederland een voetbalwedstrijd bijwoont waaraan een Nederlandse voetbalclub (die is toegelaten tot deelneming aan de competities van de sectie betaald voetbal) deelneemt, dan wel anderszins aanwezig is in of rond het stadion vóór, tijdens of na het tijdstip van aanvang van de wedstrijd. Het gaat daarbij onder meer om voetbalwedstrijden in de eredivisie, voetbalwedstrijden in het kader van de Beker en voetbalwedstrijden in binnen- en buitenland in de UEFA-Cup. 2.5. Artikel 5.1. van de algemene voorwaarden van de KNVB luidt, voor zover hier van belang:Het is verboden Toegangsbewijzen aan te bieden, (door) te verkopen of af te geven tenzij sprake is van een individuele transactie in de privésfeer en dit de veiligheid niet in gevaar brengt. 2.6. Artikel 10.2 van de algemene voorwaarden van de KNVB luidt, voor zover hier van belang:De KNVB is gerechtigd om, (landelijke) Stadionverboden op te leggen aan een ieder die volgens een melding van een Club of het Openbaar Ministerie in of buiten het Stadion in het kader van een Evenement:? heeft gehandeld in strijd met deze Standaardvoorwaarden;? een strafbaar feit heeft begaan danwel ten aanzien van wie een vermoeden bestaat dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan voetbalgerelateerd wangedrag;? zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het aanzien en/of het belang van het voetbal wordt geschaad, zulks onverminderd enige plicht tot schadevergoeding op grond van het civiele recht. (…)Het voorgaande laat onverlet de bevoegdheid van Clubs om (lokale) Stadionverboden op te leggen aan een ieder die zich in of buiten haar Stadion in het kader van een Voetbalwedstrijd misdraagt.2.7. Bij brief van 13 november 2008 heeft SC Heerenveen aan [eiser] geschreven, voor zover relevant:Vooraf aan de wedstrijd VFL Wolfsburg - sc Heerenveen op 6 november jl. is geconstateerd dat u zich heeft schuldig gemaakt aan opruiing. In de loop naar het stadion heeft u de stoep verlaten en bent u de rijbaan opgelopen, waarbij u de andere supporters in de stoet heeft opgeruid hetzelfde te doen. Aldus is geschied, waardoor de verkeersveiligheid in gevaar is gebracht en als gevolg waarvan de Duitse politie jegens u is opgetreden. De directie kan dit gedrag niet accepteren. Het doet afbreuk aan de goede naam die sc Heerenveen op supportersvlak heeft en brengt de club ook verder schade toe. De club wil dan ook niet met dit soort wangedrag geassocieerd worden. Het betreffende incident is voor de directie reden om u een lokaal stadionverbod op te leggen. (…) Voorgaande betekent dat u de toegang tot het Abe Lenstra stadion wordt ontzegd en in geval van een uitwedstrijd evenmin langer welkom bent bij de voor het publiek van sc Heerenveen bestemde tribunes. De verdere afhandeling van deze zaak zal worden verricht door de KNVB. Deze zal u te zijner tijd informeren over de eventueel landelijk op te leggen stadionverbod en de daaraan verbonden termijn. Tot het moment dat de KNVB zich heeft uitgesproken in deze zaak, zal het lokale stadionverbod van kracht zijn. Uw seizoenskaart is in verband hiermee reeds geblokkeerd. 2.8. Op 13 november 2008 heeft SC Heerenveen aan de KNVB melding gedaan van opruiing door [eiser] tijdens de wedstrijd tussen VFB Wolfsburg en SC Heerenveen.2.9. Op 2 december 2008 heeft een steward van SC Heerveen schriftelijk verklaard:Na de hele middag bij de supporters in het centrum van Wolfsberg te zijn geweest zijn wij (collega stewards) met de supporters om ongeveer 18.15 uur vertrokken door het centrum richting het stadion van Wolfsburg. Op een gegeven moment kwamen wij uit op een grote vierbaansweg met daarnaast een groot breed trottoir. Nadat onze supporters, met voorop het grote spandoek van Nieuw Noord, een klein stukje richting het stadion van Wolfsburg waren gelopen over het brede trottoir gingen zij onder leiding van "capo" [supporter A], uitgerust met megafoon, met z'n allen over de vierbaans autoweg lopen. Ook duidelijk aanwezig in woord en gebaar [eiser] om toch maar iedereen duidelijk te maken dat ze met z'n allen over de weg wilden lopen. De tegemoetkomende auto's stopten om ongelukken te voorkomen. Het meegenomen spandoek van Nieuw Noord sleepten ze op een gegeven moment over de daken van de gestopte auto's. De weg ging via een viaduct over de aanwezige rivier richting stadion. Om te voorkomen dat de supporters deze weg hielden om bij het stadion te komen heeft o.a. de bereden politie ingegrepen. De supporters moesten namelijk het trottoir houden om via een tunnel op de juiste plaats te komen bij het stadion. Tijdens deze actie is de "aanvoerder/capo" [supporter A], nog steeds met megafoon, aangehouden door de politie en naar ik later hoorde nog vóór de wedstrijd begon weer op vrije voeten gesteld. Voor mij was duidelijk dat mede door de aanwezigheid van bovengenoemde heren, zonder ingrijpen van de politie, dit tot een nog gevaarlijker situatie had kunnen leiden dan het nu al was. 2.10. Bij brief van 8 januari 2009 heeft SC Heerenveen de bezwaren van [eiser] tegen het hem opgelegde stadionverbod afgewezen en heeft SC Heerenveen het stadionverbod gehandhaafd. Verder heeft SC Heerenveen aan [eiser] laten weten dat hij op korte termijn door de KNVB zal worden geïnformeerd over de lengte van het stadionverbod. Die brief luidt onder meer:Anders dan volgt uit uw verklaring is de directie ervan overtuigd geraakt dat er wel degelijk sprake is geweest van een verkeersonveilige situatie op de snelweg te Wolfsburg. De wegafzetting waarover u spreekt betrof een andere weg dan de snelweg waar de u verweten gedraging heeft plaatsgevonden. Uit de belastende verklaring die u is voorgelegd blijkt zonder meer dat daar geen wegafzetting was en de auto's hinder hadden van de groep waar u deel van uitmaakte. Uit schriftelijke informatie van de Duitse politie blijkt dit ook expliciet. Hierin valt te lezen dat 'eine etwa 150 Personen umfassende Gästefangruppe wurde geschlossen ebenfalls zur Arena begleitet. Hierbij gingen sie teilweise auf der Fahrbahn und brachten den Verkehr sum Erliegen'. Verder schrijft de Duitse politie dat er ook fysiek is opgetreden jegens de groep, hetgeen door u is erkend. Als onderdeel van de groep die op de weg liep is er ook jegens u opgetreden zoals vermeld in onze brief van 13 november 2008. Op grond van de u voorgelegde verklaring is de conclusie gerechtvaardigd dat u een opruiende rol heeft vertolkt bij het ongeoorloofd betreden van de rijbaan. Opruiing hoeft in dit verband niet te betekenen dat u anderen letterlijk heeft opgeroepen om de snelweg te betreden, maar wel dat uw (luidruchtige) gedrag aanleiding gaf voor anderen om uw voorbeeld te volgen. U heeft dit laatste niet weersproken en het feit dat u voorop liep bij de stoet past ook binnen die context. 2.11. Op enige moment heeft de KNVB [eiser] een landelijk stadionverbod voor de duur van 12 maanden opgelegd, ingaande op 28 januari 2009 wegens het schaden van het aanzien en/of het belang van het voetbal door het in diskrediet brengen van de goede naam van het Nederlandse voetbal en de goede naam van SC Heerenveen in het bijzonder. 2.12. Bij brief van 28 januari 2009 heeft [eiser] een klacht over het hem opgelegde stadionverbod ingediend bij de klachtencommissie van SC Heerenveen. Op 27 februari 2009 heeft de klachtencommissie uitspraak gedaan, waarbij zij onder meer heeft overwogen: Uit hetgeen hiervoor is weergegeven met betrekking tot de verloop van de procedure blijkt dat de directie er voor heeft gekozen de afhandeling van hetgeen klager wordt verweten in relatie tot de gebeurtenissen op 6 november 2008, voorafgaand aan de wedstrijd VFL Wolfsburg - sc Heerenveen, aan de KNVB over te dragen, hetgeen ertoe heeft geleid dat de KNVB aan klager een stadionverbod voor de duur van 12 maanden heeft opgelegd. (…) Nu de KNVB een eigen beroepsprocedure kent, komt aan de onderhavige procedure in beginsel geen betekenis meer toe. Dat daargelaten zal de commissie toch een advies uitbrengen in relatie tot de inhoud van de klacht. Immers, naar het oordeel van de commissie staat het de directie van de sportclub Heerenveen in het onderhavige geval vrij voormeld landelijk stadionverbod in te trekken en om te zetten in een zogenaamd lokaal stadionverbod. Op basis van de stukken en het geen tijdens de mondelinge behandeling op 21 februari 2009 naar voren is gekomen, staat vast dat klager op 6 november 2009 ( de voorzieningenrechter leest: 2008), voorafgaand aan de wedstrijd VFL Wolfsburg - sc Heerenveen onderdeel heeft uitgemaakt van een groep die zich aldus heeft gedragen dat daardoor een verkeersonveilige situatie op de snelweg te Wolfsburg is ontstaan. De situatie die daardoor ontstond was dermate gevaarlijk dat politieoptreden op enig moment noodzakelijk was Klager bevond zich, zoals hij zelf heeft toegegeven, op een prominente plaats in deze groep. Op verschillende momenten bevond hij zich namelijk aan het hoofd van deze groep. Door deze rol op zich te nemen, heeft klager zich uitdrukkelijk niet gedistantieerd van de gedragingen van de groep, doch eerder het signaal afgegeven dat hij zich kon vinden in het vertoonde groepsgedrag. Klager kan en mag om die reden verantwoordelijk worden gehouden voor dat groepsgedrag. Een en ander klemt temeer nu klager wist dat hem een voorwaardelijk stadionverbod was opgelegd naar aanleiding van zijn gedrag tijdens de wedstrijd Volendam - sc Heerenveen op 31 augustus 2008. Tegen het vorenstaande staat echter het volgende. Met klager is de commissie van oordeel dat hij niet een dermate dominante rol in relatie tot het vertoonde groepsgedrag heeft vertoond als door de directie in verschillende brieven aan klager is gesteld. Met andere woorden: de gedragingen van klager kunnen de kwalificatie "opruiing" niet dragen.2.13. De klachtencommissie heeft in haar uitspraak van 27 februari 2009 het volgende advies gegeven:De klachtencommissie adviseert de directie van de sportclub Heerenveen aan klager een stadionverbod op te leggen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met als datum van ingang van het stadionverbod: 28 januari 2009 ter zake "het schaden van het aanzien en/of het belang van het voetbal door het in diskrediet brengen van de goede naam van het Nederlands voetbal en de goede naam van het sc Heerenveen in het bijzonder".2.14. Bij brief van 25 maart heeft de KNVB, commissie stadionverboden, aan [eiser] -onder meer- laten weten:De betaaldvoetbalorganisatie sc Heerenveen heeft de KNVB kenbaar gemaakt haar melding inzake het schaden van het aanzien en/of belangen van het voetbal door het in diskrediet brengen van de goede naam van het Nederlandse voetbal en de goede naam van sc Heerenveen in het bijzonder ter gelegenheid van de wedstrijd Wolfsburg Vfl - sc Heerenveen in te trekken. Nu de onderhavige maatregel van een landelijk stadionverbod enkel was gebaseerd op de melding van de betaaldvoetbalorganisatie sc Heerenveen, acht de commissie gegronde redenen aanwezig de maatregel van het landelijk stadionverbod voor de duur van 12 maanden op te heffen. De commissie beveelt de onmiddellijke opheffing van de onderhavige maatregelen. 2.15. Bij brief van 30 maart 2009 heeft SC Heerenveen [eiser] laten weten geen aanleiding te zien om van het advies van de klachtencommissie af te wijken. De brief luidt verder voor zover relevant: Deze beslissing impliceert dat het landelijke stadionverbod van de KNVB dient te worden ingetrokken. Het daarop gerichte verzoek van de directie is door de KNVB bij brief van 25 maart 2008 gehonoreerd. (…). In plaats van het op 28 januari 2009 opgelegde stadionverbod komt daarom nu een lokaal stadionverbod met de hiervoor genoemde termijn. 2.16. SC Heerenveen heeft [eiser] in die brief van 30 maart 2009 (met terugwerkende kracht) met ingang van 28 januari 2009 een lokaal stadionverbod opgelegd voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaar vanwege het schaden van het aanzien en/of belang van het voetbal door het in diskrediet brengen van de geode naam van het Nederlands voetbal en de goede naam van sc Heerenveen in het bijzonder. 2.17. Op 17 mei 2009 zal in het stadion van Feijenoord te Rotterdam de bekerfinale tussen SC Heerenveen en FC Twente worden gespeeld. 3. Het geschil3.1. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren, SC Heerenveen veroordeelt de uitvoering van het aan [eiser] op 30 maart 2009 door SC Heerenveen opgelegde stadionverbod te ontzeggen, zulks binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, voor elke keer dat SC Heerenveen in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met veroordeling van SC Heerenveen in de proceskosten. 3.2. SC Heerenveen voert verweer, met conclusie tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling4.1. De vordering van [eiser] strekt ertoe dat de voorzieningenrechter SC Heerenveen de uitvoering van het hem door SC Heerenveen opgelegde stadionverbod ontzegt. Hoewel uit de brief van SC Heerenveen van 30 maart 2009 blijkt dat [eiser] vanaf 28 juli 2009 weer welkom is bij haar wedstrijden, stelt [eiser] dat hij thans een spoedeisend belang bij zijn vordering heeft omdat hij op 17 mei 2009 de bekerfinale van SC Heerenveen tegen FC Twente in de Rotterdamse Kuip wil bijwonen. SC Heerenveen betwist dat spoedeisend belang omdat de toegangskaarten voor die wedstrijd al zijn uitverkocht en een seizoenkaarthouder met een stadionverbod als [eiser] geen toegangskaart kan hebben bemachtigd. 4.2. Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat zijn schoonvader een toegangskaart voor de wedstrijd heeft gekocht, en dat zijn schoonvader bereid is om die kaart aan [eiser] af te geven. Tussen partijen is niet in geschil dat op hun contractuele relatie de algemene voorwaarden van de KNVB toepasselijk zijn. Ingevolge artikel 5.1. is een dergelijke afgifte in de privésfeer geoorloofd mits de veiligheid niet in gevaar wordt gebracht. Volgens SC Heerenveen is van dat laatste sprake in een geval waarbij een kaart wordt afgegeven aan een supporter met een stadionverbod. [eiser] legt aan zijn vordering nu juist ten grondslag dat SC Heerenveen hem ten onrechte een stadionverbod heeft opgelegd. Als de voorzieningenrechter in dit kort geding tot het voorlopig oordeel komt dat het stadionverbod ten onrechte is opgelegd, dan is daarmee eveneens weerlegd dat de veiligheid in gevaar zou zijn als aan [eiser] de toegangskaart wordt afgegeven. Ter beoordeling ligt dan ook nu de vraag voor of het stadionverbod terecht is verstrekt. 4.3. Aan artikel 10.2 van de hiervoor bedoelde voorwaarden ontleent SC Heerenveen de bevoegdheid een lokaal stadionverbod op te leggen aan een ieder die zich in of buiten haar stadion in het kader van een voetbalwedstrijd misdraagt. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit misdragen van de wederpartij jegens een voetbalclub in de algemene voorwaarden niet nader is omlijnd, terwijl de algemene voorwaarden vele specifiek geformuleerde ge- en verboden omvat op basis waarvan de KNVB kan overgaan tot het opleggen van een landelijk stadionverbod. 4.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat SC Heerenveen bij de boordeling of een supporter zich in de in artikel 10.2 bedoelde zin heeft misdragen een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat de beslissing van SC Heerenveen door de voorzieningenrechter slechts marginaal kan worden getoetst. Voor gebruikmaking van de bevoegdheid om een stadionverbod op te leggen dienen wel voldoende feiten te worden gesteld, die deze beslissing kunnen rechtvaardigen.4.5. SC Heerenveen geeft in haar brief van 30 maart 2009 geen andere motivering voor het opleggen van het stadionverbod dan dat zij geen reden ziet om af te wijken van het advies van de klachtencommissie. Ter zitting is dit door SC Heerenveen bevestigd. De voorzieningenrechter begrijpt dan ook dat SC Heerenveen de door de klachtencommissie verstrekte motivering heeft overgenomen en tot de hare heeft gemaakt. De voorzieningenrechter tekent hierbij aan dat, gelet op rechtsoverweging 4.3. van dit vonnis, SC Heerenveen in navolging van de klachtencommissie niet van het juiste toetsingscriterium is uitgegaan. Beoordeeld dient immers (slechts) te worden of sprake is van misdragingen als bedoeld in artikel 10.2 van de algemene voorwaarden, hoewel toegegeven moet worden dat gelet op beide open normen sprake zal kunnen zijn van overlapping van beide toetsingscriteria. De voorzieningenrechter zal daarom hierna beoordelen of de door SC Heerenveen gestelde feiten de kwalificatie "misdragen" kunnen dragen.4.6. Het meest verstrekkende verwijt dat de klachtencommissie, en daarmee SC Heerenveen, aan [eiser] maakt is dat hij een prominente plaats heeft ingenomen in een groep die zich zodanig heeft gedragen dat daardoor een verkeersonveilige situatie is ontstaan. In het advies wordt de gedraging van de groep niet nader omschreven. SC Heerenveen heeft ter zitting toegelicht dat de gedraging van de groep daaruit bestaat dat zij in de Heßlinger Straße (een 4-baansweg) over het voor auto's bestemde gedeelte van de weg is gaan lopen waardoor een verkeersonveilige situatie zou zijn ontstaan. De prominente rol van [eiser] in die groep bestaat volgens SC Heerenveen daaruit dat [eiser] in de voorhoede van die groep heeft gelopen. SC Heerenveen heeft zich gebaseerd op de (overgelegde) verklaring van de steward en die van de Duitse politie en op hetgeen [eiser] in gesprekken met SC Heerenveen heeft erkend te hebben gedaan. 4.7. De voorzieningenrechter stelt vast dat alleen de verklaring van de steward op het gedrag van [eiser] ziet. Over [eiser] valt in de verklaring uitsluitend te lezen dat [eiser] duidelijk aanwezig was in woord en gebaar om iedereen duidelijk te maken dat ze met z'n allen over de weg wilden lopen. Dit is evenwel niet het verwijt dat SC Heerenveen thans nog aan [eiser] maakt. Als gezegd verwijt SC Heerenveen [eiser] dat hij zich in de voorhoede van de groep bevond die op enig punt in de Heßlinger Straße over het voor auto's bestemde gedeelte van de weg is gaan lopen waardoor een verkeersonveilige situatie zou zijn ontstaan. Dat [eiser] gezegd zou hebben dat hij meer zou hebben gedaan dan het voorop lopen in de groep die in de Heßlinger Straße over het voor auto's bestemde gedeelte van de weg liep, heeft [eiser] betwist, en blijkt niet uit de gedingstukken, zodat daar bij de beoordeling in het kader van dit kort geding niet van kan worden uitgegaan. 4.8. Het enkel voorop lopen in de groep die in de Heßlinger Straße over het voor auto's bestemde gedeelte van de weg liep, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om als misdraging in de zin van de algemene voorwaarden te kunnen worden aangemerkt. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig, waarbij gedacht kan worden aan de omstandigheid dat voor [eiser] duidelijk was, althans had moeten zijn, dat het in de gegeven omstandigheden (het zich onder begeleiding van politie en stewards in een groep supporters richting stadion begeven) ongeoorloofd was om op de weg te lopen. Dit is ook wat aan de door SC Heerenveen gegeven beslissing ten grondslag ligt; volgens SC Heerenveen is de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Daarvoor heeft SC Heerenveen in dit kort geding evenwel onvoldoende naar voren gebracht. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent als volgt. 4.9. In deze procedure is onduidelijk gebleven op welk punt in de Heßlinger Straße een verkeersonveilige situatie is ontstaan. Uit de ter zitting verstrekte toelichting op de overlegde plattegrond van de situatie ter plaatse blijkt dat de supporters vanuit het centrum van Wolfsburg naar de Heßlinger Straße zijn begeleid, en dat de supporters in die straat over het voor auto's bestemde gedeelte van de weg zijn gaan lopen, en niet op het voetpad. De steward heeft verklaard dat tegemoetkomende auto's stopten om ongelukken te voorkomen. Het is de voorzieningenrechter evenwel onduidelijk of dit zich al bij het begin van de Heßlinger Straße voordeed, waar ook [eiser] voorop heeft gelopen, of dat de verkeerssituatie onveilig werd op het punt waar de Heßlinger Straße de Berliner Ring kruist. Volgens [eiser] ontstond de verkeersonveilige situatie en het ingrijpen van de politie pas daar. Uit de verklaring van de steward kan niet worden afgeleid waar de verkeersonveilige situatie is ontstaan. Ter zitting is door partijen toegelicht dat het stadion zich vlakbij bedoelde kruising bevindt, en dat het stadion meerdere ingangen kent, waarvan er één speciaal voor de supporters van SC Heerenveen zou zijn bestemd. [eiser] heeft toegelicht dat de situatie bij die kruising onoverzichtelijk werd omdat het hem en andere supporters niet duidelijk was waar zij heen moesten, nu op dat punt meerdere wegen konden worden ingeslagen. Het was volgens [eiser] op dat moment donker, en liepen supporters verschillende kanten op, omdat ze niet wisten waar ze naar toe moesten gaan. [eiser] heeft verklaard dat dit het moment was waarop de Duitse politie met charges begonnen is. Daar heeft SC Heerenveen ter zitting de verklaring voor gegeven dat de politie bang was dat de supporters van SC Heerenveen op een ander punt bij het stadion aan zouden komen dan was voorzien. SC Heerenveen heeft geen feiten naar voren gebracht waaruit volgt dat deze lezing van [eiser] over hetgeen zich op dat kruispunt heeft afgespeeld, in hoofdlijnen onjuist zou zijn. Uitgaande derhalve van de aannemelijkheid van die lezing, kan niet worden geoordeeld dat voor [eiser] duidelijk had moeten zijn dat hij niet had mogen lopen waar hij liep.4.10. De voorzieningenrechter heeft voorts geen enkel aanknopingspunt waaruit blijkt dat voor [eiser] al eerder op de Heßlinger Straße duidelijk moest zijn dat door te lopen op het voor auto's bestemde gedeelte, een verkeersonveilige situatie zou ontstaan. [eiser] stelt dat zij daar van de politie moesten lopen. Volgens [eiser] was de groep ook zo groot, dat het praktisch onmogelijk was om over de stoep te lopen. [eiser] stelt dat noch de politie noch de stewards bezwaar maakte tegen het feit dat zij op de autoweg liepen. Volgens [eiser] liepen meegereisde stewards daar ook. Ook hiervoor geldt dat van de zijde van SC Heerenveen geen stellingen zijn ingenomen of stukken in het geding zijn gebracht, die het verhaal van [eiser] onaannemelijk maken.4.11. Voor misdraging van [eiser] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook onvoldoende naar voren gebracht. Reeds hierom dient de vordering te worden toegewezen. 4.12. De voorzieningenrechter laat dan nog daar dat, waar SC Heerenveen [eiser] een onvoorwaardelijk stadionverbod van zes maanden heeft opgelegd, de seizoenskaart van [eiser] al vanaf 13 november 2008 is geblokkeerd, zodat [eiser] feitelijk al meer dan zes maanden geen toegang meer tot de wedstrijden van SC Heerenveen heeft gehad, en aldus het onvoorwaardelijke deel van de sanctie in feite al is geëffectueerd.4.13. De gevraagde voorziening zal worden toegewezen, met dien verstande dat SC Heerenveen aan de haar op te leggen veroordeling binnen één dag na betekening zal hebben te voldoen. Het spoedeisend belang van [eiser] bij deze voorlopige voorziening is gelegen in de omstandigheid dat hij de wedstrijd van komende zondag wil bijwonen. Om die reden zal dit vonnis ook uitvoerbaar worden verklaard op alle dagen en uren. 4.14. De gevorderde uitvoerbaar verklaring op de minuut zal worden afgewezen, nu [eiser], voor wie terstond na deze uitspraak een grosse beschikbaar zal zijn, daarbij geen belang heeft. 4.15. SC Heerenveen wordt als de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op € 1.166,98, zijnde € 88,98 aan dagvaardingskosten, € 262,00 aan griffierecht en € 816,00 aan tegemoetkoming in het salaris van de advocaat. 5. De beslissingDe voorzieningenrechter1. veroordeelt SC Heerenveen de verdere uitvoering van het aan [eiser] op 30 maart 2009 door SC Heerenveen opgelegde stadionverbod te ontzeggen, zulks binnen één dag na betekening van dit vonnis;2. bepaalt dat SC Heerenveen indien zij in strijd handelt met het onder 1. bepaalde per keer aan [eiser] een dwangsom verbeurt van € 2.500,00 (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro), met een maximum van € 10.000,00;3. veroordeelt SC Heerenveen in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 1.166,98;4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren;5. wijst af het meer of anders gevorderde.Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.J. Velsink op 15 mei 2009.



ZMV advocaten sportrecht Heerenveen
Zillinger Molenaar & Verdonk advocaten Heerenveen Adres: K.R. Poststraat 80-1, 8441 ER Heerenveen, Friesland, Nederland Tel: +31 0513 623666 Fax:+31 0513 625546.ZMV advocaten is gevestigd in Heerenveen. Dit is – gezien ‘Sportstad Heerenveen’ – een goede strategische positie om de sporters in (Noord-)Nederland te bereiken / te bedienen. Daarbij speelt dat geen enkel advocatenkantoor – behoudens ZMV– in Noord-Nederland sport en recht als specialisatie aanbiedt. Het merendeel van de advocaten kantoor heeft grote affiniteit met sport. Voorts sponsort ZMV verschillende sportverenigingen (voetbal, (ijs)hockey, schaatsen, tennis, judo en kaatsen) en staat het kantoor diverse sportorganisaties / (top)sporters op sportgebied bij. Wij beschikken derhalve over de noodzakelijke informatiebronnen en contacten met betrekking tot sportrecht. De advocaten van ZMV zijn in secties ingedeeld (waaronder de sectie Sport & Recht). Zillinger Molenaar & Verdonk heeft een sectie sportrecht bestaande uit drie advocaten mr. R. Tamourt (Rachid), mr. A de Haan (Anton) en mr. B.J. van Popta (Bjernt). Alle drie zijn lid van de landelijke vereniging Sport en Recht en worden er regelmatig cursussen m.b.t. sport en recht gevolgd en heeft mr. R. Tamourt een licentie spelersmakelaar van de KNVB. Daarnaast is ons kantoor aangesloten bij “Sport en Zaken” (www.sportenzaken.nl) en adviseren wij o.a. Sportstad Heerenveen, Topsport Steunpunt Noord (Friesland, Groningen en Drenthe) en Topsport Steunpunt Zwolle.http://www.zmv-advocaten.nl/http://www.zmv-advocaten.nl/pageid=160/Sportrecht.htmlZillinger Molenaar & Verdonk advocaten zoekwoorden:advocaten, heerenveen, advocaat, advocatenkantoor, zmv, zillinger, molenaar, verdonk, joure, sneek, drachten, wolvega, gorredijk, ontslag, arbeidsrecht, friesland, echtscheiding, alimentatie, draagkracht, bijstand, dagvaarding, rechtbank, kanton, failliet, sport, advies, vastgoed, juridisch, civiel, recht, strafrecht, omgang, kinderen, sc heerenveen, thialf, schaatsen, sportrecht, stadionverbod, cao, politie, gemeente, uitkering, rechtswinkel, bezwaarschrift, samenlevingscontract, huwelijkse voorwaarden, katlijk, vof, erfrecht, wetboek, wet, juridisch loket, stichting, vereniging, notaris, schuldsanering, gkb, sportstad, sc heerenveen, voetbal, sport, tuchtrecht, kngu, tucht, klacht, knvb, juridisch, jurist, juristen, gemeente, image rights, topsport, contract, sponsoring, portretrecht, vereninging, stichting, stipendium, NOC*NSF, Sport Lawyers, spelersmaklaar, players agent, profvoetballer, sportrecht, arbeidsrecht, arbeidsovereenkomst, advocaat heerenveen, friesland, sc Heerenveen, schaatsen, spelersmakelaar, sportrecht, voetbal, voetbalmakelaar, schadeaansprakelijkheid, sport en zaken, topsport steunpunt noord, zwolle, akkrum, oudeschoot, gorredijk, advokaat, advokaten, advokatenkantoor, flyers, ijshockey, turnen, turnhal, sponsorcontract, sportcontract, sportwereld, portretrecht, verenigingsrecht, sportorganisatie, fifa, uefa, 'FIFA Player's Agents Regulations en de Regulations for the Status and Transfer of Player's' , club, tamourt, law, sc, uefa, fifa, aanklager, tuchtzaken, voetbal, topsport, tsn, steunpunt noord, Zwolle, Groningen, Leeuwarden, Wolvega, jurist, juristen, juridisch loket, rechtwinkel, incasso, dagvaarding, klachtencommissie, knvd, kngu, NOC*NSF, bond sportbond, Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond, de Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie, de Nederlandse Golf Federatie en de Koninklijke Nederlandse Hockey Bond, zwemmen, volleybal, hockey, watersport, tennis, korfbal, badminton, ek, wk, kwalificatie, statuten, reglementen, verenigingsrecht, vereniging, stichting, bestuur, doping, sportrechtspraak, uitspraak, beroep, commissie, tuchtcommissie, supporters, omnivereniging, mr, poststraat, sportstad, sport, sportwereld, sectie sportrecht, opleidingsvergoeding, solidariteitsbijdrage, amateurvoetbalsport, speler, organisatiestructuur, fair play, blessure, contract, sportongeval, sponsoring, advies, transfer, sponsorcontract, sportcontract, arbitrage, hippisch, paardensport, dressuur, aansprakelijkheid, statuut sportbeoefenaar, tuchtrecht, doping, mensenhandel,

Bevoegdheidsincident sportrecht

LJN: BL6279, Rechtbank Utrecht , 277680 / HA ZA 09-2651

Datum uitspraak:
03-03-2010
Datum publicatie:
04-03-2010
Rechtsgebied:
Civiel overig
Soort procedure:
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie:
Bevoegdheidsincident. Gedaagde sportbond beroept zich op reglementaire bepaling dat alle geschillen, die niet in andere artikelen van het reglement worden genoemd, aan het congres van de bond dienen te worden voorgelegd. De bond stelt dat de rechtbank onbevoegd is omdat de betrokken sporter zijn vordering tot schadevergoeding eerst aan het congres van de bond had dienen voor te leggen. De rechtbank wijst de incidentele vordering af en acht zich bevoegd kennis te nemen van het geschil.
Uitspraak
vonnisRECHTBANK UTRECHTSector handels- en familierechtzaaknummer / rolnummer: 277680 / HA ZA 09-2651Vonnis in incident van 3 maart 2010in de zaak van[eiser],wonende te [woonplaats],eiser in de hoofdzaak,verweerder in het incident,advocaat: mr. R.A. Tamourt,tegende verenigingKONINKLIJKE NEDERLANDSCHE WIELREN UNIE (KNWU),gevestigd te Woerden,gedaagde in de hoofdzaak,eiseres in het incident,advocaat: mr. J.M. van Noort.Partijen zullen hierna [eiser] en de KNWU genoemd worden.1. De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding - de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring- de incidentele conclusie van antwoord.1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.2. De beoordeling in het incident2.1. [eiser] is een professionele baanwielrenner en is lid van de KNWU. In de hoofdzaak vordert [eiser] schadevergoeding van de KNWU omdat de KNWU volgens hem onrechtmatig gehandeld heeft door na te laten hem tijdig te informeren omtrent nieuwe normeringen voor het toekennen van een A-status. De schade die [eiser] stelt te lijden bestaat uit, onder meer, gemist stipendium en een gemiste onkostenvergoeding.2.2. De KNWU vordert in haar incidentele vordering dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [eiser] voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.2.3. De KNWU stelt zich in het incident op het standpunt dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren op grond van het bepaalde in artikel B9.3 van het Algemeen Reglement van de KNWU. De rechtbank begrijpt dat de KNWU stelt dat [eiser] zijn geschil had dienen voor te leggen aan het Congres van de KNWU. De KNWU stelt hiertoe dat [eiser], als licentiehouder en lid van de KNWU, gebonden is aan het Algemeen Reglement. In artikel B9.3 staat:“In alle geschillen, voorzover niet in voorgaande leden of elders in dit reglement geregeld, beslist het Congres.”2.4. De rechtbank neemt gebondenheid van [eiser] aan de reglementen van de KNWU als uitgangspunt voor het hiernavolgende, nu de KNWU dit onweersproken heeft gesteld.2.5. De vordering van [eiser] is een vordering tot schadevergoeding gegrond op de stelling dat de KNWU onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld heeft. De formulering van artikel B9.3 is zodanig ruim dat onderhavig geschil in beginsel ook onder de reikwijdte van het artikel zou kunnen worden gebracht. Uit de formulering blijkt echter niet of het Congres ook bevoegd is vorderingen tot schadevergoeding te beoordelen en eventueel toe te kennen. De rechtbank is van oordeel dat, indien het de bedoeling was ook vorderingen tot schadevergoeding aan de beoordeling van de burgerlijke rechter te onttrekken en dus onder de reikwijdte van artikel B9.3 te brengen, deze bedoeling tot uitdrukking had moeten komen in de formulering. 2.6. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.2.7. De KNWU zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. 3. De beslissingDe rechtbankin het incident3.1. wijst het gevorderde af,3.2. veroordeelt de KNWU in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 452,00,in de hoofdzaak 3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 maart 2010 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.Dit vonnis is gewezen door mr J.M. Eelkema en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2010.